Alle soorten › Zangvogels › Boomklevers › Boomklever
Boomklever | Sitta europaea
Eurasian nuthatch | Trepador azul
Geen andere vogel van het Europese bos loopt met de kop naar beneden een stam af, en juist dat maakt de boomklever op elke afstand herkenbaar. Blauwgrijs van boven, roestbeige van onder, met een scherpe zwarte streep dwars door het oog en een stem die vanaf januari elk oud bos vult. In Nederland is hij in vijftig jaar van een oostelijke zeldzaamheid uitgegroeid tot een vogel van bijna elk volwassen bos en van steeds meer stadsparken.
Geluid
Luid, helder en ver dragend — je hoort hem vaak twee bospaden verderop voordat je hem ziet. De gewone roep is een krachtig, meestal tweemaal herhaald twiet-twiet, dat bij opwinding versnelt tot een ratelende reeks. Bij alarm klinkt een aanhoudend, snerpend tsjirrrr, en tussen de bedrijven door een dun tsit. De zang, van januari tot in april en met een piek in februari en maart, bestaat uit lange reeksen heldere fluittonen: traag en weemoedig pjuu-pjuu-pjuu, of juist snel en trillend wie-wie-wie-wie-wie, alsof er water uit een fles klokt. Alle geluiden hebben dezelfde volle, fluitende klank, en die klank is in het winterbos vaak het eerste teken dat er een boomklever is.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Gedrongen en kortstaartig, met een grote kop, een dikke nek en een lange, rechte, spitse snavel: een specht in zakformaat, maar zonder steunstaart. De bovendelen zijn egaal blauwgrijs, kin, keel en wangen wit, en een scherpe zwarte streep loopt van de snavelbasis dwars door het oog door tot in de zijhals. Bij onze vogels — de ondersoort caesia van West- en Midden-Europa — zijn de onderdelen warm oranjebeige, met dieper roestbruin op de flanken. Noordelijke vogels van de ondersoort europaea, uit Scandinavië en Rusland, zijn onder wit en hebben alleen op de flanken en onder de staart roestrood; ze halen Nederland zelden. Het mannetje heeft dieper kastanjebruine flanken en onderstaartdekveren dan het vrouwtje, dat bleker en beiger oogt — een subtiel verschil dat pas overtuigt als een paar naast elkaar zit. De staart is kort en recht afgesneden, met witte vlekken in de buitenste pennen die vooral bij het wegvliegen oplichten. De poten zijn kort en zwaar, met opvallend grote nagels; jonge vogels zijn doffer en hebben een kortere snavel.
Verwarringssoorten
De boomkruipers klimmen ook tegen stammen op, maar altijd omhoog en nooit omlaag: ze werken zich in korte muizenpasjes spiraalsgewijs naar boven, steunen daarbij op een stijve, puntige staart, zijn bruin gevlekt in plaats van blauwgrijs en hebben een fijn, gebogen snaveltje in plaats van een rechte priem. Een vogel die met de kop naar beneden een stam afdaalt en geen steunstaart gebruikt, is nooit een boomkruiper. De grote bonte specht is veel groter en zwart-wit, met grote witte schouderschilden en helderrood onder de staart, en werkt zich hortend omhoog met de staart tegen de bast; zijn scherpe kik lijkt van ver op een boomkleverroep, maar is korter, droger en zonder de fluitende ondertoon. De rotsklever van de Balkan is bleker, mist het roestbeige op buik en flanken en leeft op rotswanden in plaats van in bomen; verwarring is alleen in Zuidoost-Europa mogelijk.
Leefgebied
Oud loofbos en gemengd bos met zware stammen en grove schors, vooral eik en beuk; daarnaast landgoedbossen, oude lanen, parken, begraafplaatsen, boomrijke tuinen en dorpskernen met opgaande bomen. In Zuid-Europa ook in bergnaaldbos. De leeftijd van het bos is doorslaggevend: een aanplant wordt pas na ongeveer dertig jaar bruikbaar en is boven de vijftig jaar pas echt geschikt. Het nest ligt in een oude spechtenholte of een natuurlijke holte, en daar hoort het handelsmerk van de soort bij: is de opening te ruim, dan metselt het vrouwtje hem met natte klei en modder dicht tot er precies een boomklever door kan. Ook spleten in de wand en soms de hele binnenkant worden bepleisterd. Een nestkast wordt zonder aarzelen aangenomen, en dan wordt het vlieggat evengoed nauwer gemetseld. Buiten de broedtijd verstopt hij zaden en noten achter schorsschilfers en dekt de bergplaats af met een stukje bast of mos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Ierland en Portugal oostwaarts door heel gematigd Eurazië tot in Japan en Taiwan; alleen IJsland, het hoge noorden en de boomloze steppen ontbreken. In Nederland is hij een uitgesproken standvogel die zelden meer dan een paar kilometer van zijn geboorteplek komt. Tot in de jaren zeventig was hij vooral een vogel van de oude landgoedbossen op de Veluwe, in Zuid-Limburg en op de Utrechtse Heuvelrug; daarna schoof hij naar het westen en het noorden op, mee met het ouder worden van de naoorlogse bossen. In Drenthe groeide het bestand van een handvol paren in de jaren zeventig tot ruim vierduizend rond 2014. Landelijk gaat het nu om 34.000 tot 42.000 broedparen (2018–2020), met een aanhoudende toename. In Spanje ontbreekt hij in de droogste streken en zit hij in de noordelijke helft en in de bergmassieven van het binnenland en het zuiden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga tussen half januari en begin april op een windstille ochtend een oud eiken- of beukenbos in en luister eerst. De fluitende reeksen dragen honderden meters ver; loop er gericht op af en zoek dan hoog in de kroon naar een klein, gedrongen vogeltje dat kop naar beneden langs een dikke tak afdaalt. Dat beeld — omlaag lopen zonder de staart te gebruiken — is de determinatie. Wie het bos niet in wil: een pindanet in een tuin met oude bomen levert vanaf oktober vaak een boomklever op, die kort komt halen, wegvliegt en het zaad ergens in een schorsspleet wegwerkt. In april verraadt een vers met modder dichtgesmeerd vlieggat in een oude spechtenholte het nest.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Europa als geheel stabiel tot toenemend. In Nederland is de broedpopulatie sinds 1985 minstens verdubbeld en is de staat van instandhouding op alle onderdelen gunstig: verspreiding, aantal, leefgebied en toekomstperspectief. De winst komt bijna volledig van het ouder worden van de bossen die na de oorlog zijn aangeplant, en van het achterwege laten van al te grondig opruimen. Waar het misgaat is het meestal dezelfde oorzaak: het kappen van oude, holtenrijke bomen in parken en lanen, en het weghalen van dood hout waar spechten hun holtes in maken. Zonder spechtengaten geen boomklevers.
Wetenschappelijke naam
Sitta europaea Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sitta voerde hij in datzelfde werk in. Sitta is de Oudgriekse naam sittē voor de boomklever. europaea is Latijn voor 'Europees', naar het uitgestrekte verspreidingsgebied over het werelddeel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




