Alle soorten › Zangvogels › Lachvogels › Arabische babbelaar
Arabische babbelaar | Argya squamiceps
Arabian babbler | Turdoide árabe
Een Arabische babbelaar alleen bestaat niet. Ze komen met zijn zessen of met zijn twaalven, in een lange rij van struik naar struik, roepend en fluitend en kibbelend, met de staart achter zich aan door het zand. Zo'n groep is een huishouden: één paar broedt en alle andere leden helpen mee met bouwen, voeren en bewaken, ook de jongen van vorig jaar. In de wadi's van de Arava zijn ze in de jaren zeventig, tachtig en negentig zo lang en zo nauwkeurig gevolgd dat ze tot de best bestudeerde wilde vogels ter wereld horen.
Geluid
De naam is verdiend. De groep onderhoudt de hele dag een gesprek van heldere fluittonen, piepjes, kwetterende zinnetjes en zacht gemopper, waar geen begin of eind aan zit en dat je al hoort voordat je één vogel ziet. Het contactroepje is een helder, opklimmend pieuw waarmee ze elkaar in het struweel bijhouden. Bij gevaar geeft de wachtpost een scherpe, ratelende alarmroep, waarna de hele groep in dekking duikt en van daaruit blijft schelden. Als twee groepen elkaar aan een territoriumgrens tegenkomen, ontstaat er een luid, aanhoudend koor waarbij de vogels zich in een kluitje tegen elkaar aan drukken en gezamenlijk naar de buren roepen — het luidruchtigste geluid van de wadi.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en langgerekt, met een staart die bijna de helft van de vogel uitmaakt en die getrapt is, zodat hij bij het landen als een waaier uitvalt. De kleur is zandig grijsbruin, licht van onderen, met een vuilwitte keel. De kruin en de wangen dragen fijne donkere schachtstreepjes die van dichtbij een geschubd patroon geven — daar komt de wetenschappelijke naam squamiceps vandaan. De snavel is lang, zwart en licht gebogen, en het oog is bleek: een romig geel tot lichtgrijze iris die de vogel een starende uitdrukking geeft. De poten zijn stevig en vleeskleurig. De geslachten zijn gelijk. Jonge vogels hebben nog een donker oog en een ongestreepte kruin, wat ze in een groep meteen aanwijst. In de vlucht is hij zwak en fladderend, met korte ronde vleugels en die lange staart erachteraan; hij vliegt zelden ver en meestal net boven de grond.
Verwarringssoorten
Binnen het kaartgebied is er niets dat op hem lijkt: in de Levant en op de Sinaï is hij de enige babbelaar. De vergelijking die telt is die met de bruingele babbelaar, zijn tegenhanger aan de andere kant van het continent, en die twee zijn bijna even goed aan het land als aan de vogel te herkennen. De Arabische babbelaar is de grotere, koelere en grijzere van de twee, met fijne donkere streepjes op kruin en wang, een bleke, gelige iris en een langere staart; de bruingele is warmer, roodzandig, egaal van kop zonder streping, met een donkerbruin oog. Hun arealen raken elkaar niet: de Nijl en de Egyptische woestijnen liggen ertussen, met de Arabische babbelaar aan de oostkant — Sinaï, Arava, Arabië — en de bruingele van Libië westwaarts door de Maghreb tot aan de Atlantische Oceaan. Wie in het veld twijfelt, kijkt naar het oog: bleek is Arabisch, donker is bruingeel.
Leefgebied
Woestijn en halfwoestijn met struiken en bomen, nooit de kale vlakte: acaciawadi's, droge beddingen met christusdoorn en tamarisk, rotsige zijgeulen met struweel, en de door mensen gemaakte varianten daarvan — dadelplantages, kibboetstuinen, akkerranden en de beplanting rond woestijnnederzettingen, waar hij zich zonder moeite thuis voelt. Hij foerageert vooral op de grond, waar hij met de snavel bladeren en kiezels omkeert op zoek naar insecten, en klimt daarnaast door de kroon van acacia's. De groep slaapt 's nachts dicht opeen op een tak, tegen elkaar aan gedrukt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de zuidpunt van de Dode Zee en de Judeawoestijn zuidwaarts door de Negev en de Arava, aan beide zijden van de Israëlisch-Jordaanse grens, verder over de Sinaï en het hele Arabische schiereiland tot in Oman en Jemen, plus een strook langs de Egyptische Rode Zeekust. Binnen het kaartgebied gaat het dus om Israël, Jordanië en de Sinaï; noordelijker komt hij niet en over de Middellandse Zee is hij nooit verschenen. De vogels zijn honkvast in het uiterste: een groep houdt jarenlang hetzelfde stuk wadi bezet, en de jongen blijven vaak in het territorium waar ze geboren zijn.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Elke acaciawadi in de Arava of de Negev werkt, en je hoeft er niets voor te doen behalve stilstaan en luisteren — Hatzeva, het Shezaf-reservaat, Ein Gedi, Yotvata, de tuinen van een kibboets. De groep komt vaak vanzelf naar je toe, want ze zijn opvallend weinig schuw. Kijk dan naar drie dingen. Ten eerste de wachtpost: er zit er altijd één hoog en stil terwijl de rest op de grond scharrelt. Ten tweede het voeren: volwassen vogels geven elkaar en de jongen voedsel, ook als niemand honger heeft. Ten derde het poetsen: twee vogels naast elkaar op een tak, waarvan de een de nekveren van de ander uitkamt. Een half uur bij één groep levert meer op dan een hele ochtend zoeken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Het areaal is groot, de aantallen zijn stabiel en de soort profiteert plaatselijk van menselijke nederzettingen, waar tuinen, bevloeiing en afval het hele jaar door voedsel geven. Waar het misgaat is in de wadi's zelf: het afsterven van oude acacia's door dammen en grondwateronttrekking neemt de groepen hun structuur af, en waar de acacia's weg zijn blijft de wadi leeg. Verder is de soort gevoelig voor verstoring van slaapbomen en voor katten en ratten rond nederzettingen. Voor het overige is dit een van de weinige woestijnvogels waarvan we de trend werkelijk kennen, eenvoudig omdat er zo lang naar gekeken is.



