Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Arabische zwartkop
Arabische zwartkop | Curruca leucomelaena
Arabian warbler | Curruca árabe
De Arabische zwartkop hoort bij één boom. Waar in de woestijn van de Arava een oude acacia staat, kan hij zitten: een forse, zwaar gebouwde grasmus met een zwarte kap en een lange zwarte staart die hij niet omhoog wipt maar met een korte klap naar benéden slaat. De Arava — de laagte tussen de Dode Zee en de Golf van Akaba, half Israëlisch en half Jordaans — is de enige plek in het kaartgebied waar hij broedt, en het zijn er weinig.
Geluid
De zang is voor een grasmus verrassend melodieus: een korte, bollende, fluitende strofe van twee tot drie seconden met een lijsterachtige klank, gegeven vanaf de top van een acacia of vanaf een dode tak die boven de kroon uitsteekt. Hij klinkt vol en rond en mist het krassen en ratelen dat de meeste grasmussen erdoorheen mengen; wie in de wadi een klein lijstertje meent te horen, hoort deze vogel. De roep is een zacht, herhaald tsjek, meestal in reeksjes van drie of vier, en bij onrust een lage, rollende ratel. Zingt vooral van februari tot in mei, in de eerste twee uur na zonsopgang; midden op de dag is het in een acaciawadi volkomen stil.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een grasmus op het formaat van een orpheusgrasmus: fors, breed in de borst, met een zware snavel en een rechtop zittende houding. Het mannetje heeft een bruinzwarte kap die tot onder het oog doorloopt en in de nek zonder scherpe grens overgaat in de grijsbruine mantel. De keel is wit, de rest van de onderkant licht grijs, zonder een spoor van roze of oranje. Het oog is donker met een smal wit ringetje eromheen. De staart is lang en zwart met witte buitenranden; de vleugel is kort en rond, zodat er nauwelijks handpenprojectie voorbij de tertials uitsteekt. Het vrouwtje heeft een chocoladebruine in plaats van zwarte kap en een vager oogringetje; jonge vogels zijn nog bruiner en doffer. Het beste kenmerk is geen kleur maar een beweging: de staart wordt met een korte, harde slag naar beneden geklapt, telkens opnieuw, en daarna langzaam weer opgetild.
Verwarringssoorten
De kleine zwartkop zit in dezelfde wadi's en moet als eerste worden uitgesloten. Die is veel kleiner en fijner gebouwd, heeft een rode iris met een rode ring eromheen, en hij wipt zijn staart omhóóg. De Arabische zwartkop is een kwart groter, heeft een donker oog met een wit ringetje en slaat zijn staart naar beneden — één keer goed kijken naar het oog en één keer naar de staart en het is klaar. De oostelijke orpheusgrasmus trekt in april en september door de Arava en is even fors: die heeft een bleke, starende iris, zwart dat niet verder komt dan de oordekveren en dus geen kap in de nek, een romige in plaats van grijze onderkant, en hij beweegt zijn staart helemaal niet. Bij een doortrekkende zwartkop stopt de pet netjes boven het oog en is de staart kort en effen bruin. Ménétriés' zwartkop, die hier overwintert, is klein en bleek, heeft een roze waas over de borst en beweegt zijn staart juist rond en zijwaarts in plaats van met een klap omlaag.
Leefgebied
Acaciawadi's: brede, droge beddingen in de woestijn met verspreide oude acacia's, en de zijgeulen daarvan met christusdoorn en tamarisk. Hij heeft opgaande bomen nodig, geen struweel — een wadi waarin de oude acacia's zijn doodgegaan verliest hem, ook als de lage begroeiing eronder blijft staan. Hij foerageert traag en methodisch in de kroon en langs de dikke takken, hangt daarbij geregeld ondersteboven, en komt weinig op de grond. Buiten het kaartgebied zit hij in precies hetzelfde beeld: acaciasavanne langs de Rode Zee en in Arabië.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de Arava zuidwaarts langs beide oevers van de Rode Zee: Israël en Jordanië, de Sinaï, Arabië tot in Oman en Jemen, en aan de Afrikaanse kant Zuidoost-Egypte, Eritrea, Djibouti en Noord-Somalië. Binnen het kaartgebied van deze gids is er maar één populatie, die van de Arava, aan de Israëlische en de Jordaanse kant van de grens. Die vogels vormen een eigen ondersoort, negevensis, en het is een kleine, verspreid zittende groep: een beperkt aantal wadi's met elk een handvol territoria. Noordelijker dan de zuidpunt van de Dode Zee komt hij niet, en in Europa is hij nooit vastgesteld.
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Vroeg in de ochtend in een acaciawadi in de Arava — de omgeving van Hatzeva, het Shezaf-reservaat, Nahal Neqarot, of aan de Jordaanse kant Wadi Araba. Ga niet lopen zoeken maar ga zitten en luister: zonder zang is deze vogel in een grote acacia bijna niet te vinden, en met zang heb je hem in twee minuten. Zie je een grasmus, kijk dan eerst naar de staart. Eén klap omlaag en je bent klaar; wipt hij omhoog, dan is het de kleine zwartkop.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een ruim areaal langs de Rode Zee en in Arabië, maar in het kaartgebied hangt hij aan een dun draadje en staat hij op de Israëlische rode lijst. Het knelpunt is de acacia zelf. Door het afvangen van de winterse stortvloeden in dammen en reservoirs en door het oppompen van grondwater voor landbouw krijgen de oude bomen te weinig water, sterven ze staand af, en komt er geen jonge aanwas voor in de plaats. Een wadi zonder levende acacia's is voor deze vogel leeg, en dat proces speelt langs de hele Arava. Daar komen aanleg van wegen, dagbouw en uitbreiding van bevloeide landbouw in de vallei nog bovenop.


