Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Westelijke orpheusgrasmus
Westelijke orpheusgrasmus | Curruca hortensis
Western Orphean warbler | Curruca mirlona occidental
De westelijke orpheusgrasmus is de grootste grasmus van het Iberisch Schiereiland en de enige die klinkt als een merel: korte, heldere fluitmotiefjes vanaf de top van een steeneik, met stiltes ertussen. Sinds 2001 wordt de oostelijke vorm als aparte soort behandeld, zodat deze vogel nog de westelijke helft is van een paar dat vroeger één naam droeg.
Geluid
Hier komt de naam vandaan. De zang bestaat uit korte, heldere, fluitende motiefjes die twee, drie of vier keer achter elkaar worden herhaald en door duidelijke stiltes van elkaar gescheiden zijn: tjuu-lie tjuu-lie tjuu-lie, rustig van tempo, warm en rond van klank, als een merel of een tuinfluiter die zijn tijd neemt. Tussen de fluittonen schuift soms een korte, wat krassende passage, maar het geheel blijft opvallend melodieus en traag voor een grasmus, en juist die traagheid verraadt hem tussen de haastige babbels van de andere soorten. Hij zingt vanaf de top van een steeneik, een jeneverbes of een amandelboom, goed in het zicht en met de kop omhoog, meestal in de eerste uren na zonsopgang, van eind april tot in juni. De roep is een hard, droog tsjek, als twee kiezels tegen elkaar, vaak in reeksen, en bij onrust een laag, ratelend tsjrrr.
Opname: Philippe_Grange — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Een forse, langgerekte grasmus met een zware, lange en spitse snavel en een lange staart met witte buitenranden. Het mannetje heeft een donkergrijze tot zwartige kop die tot onder het oog doorloopt en scherp afsteekt tegen een schoon witte keel. Het oog is bij oude vogels licht: een witte tot strogele iris midden in dat donkere masker, wat de vogel een starende, strenge blik geeft. De bovendelen zijn grijs tot grijsbruin, de onderdelen wit met een roomkleurige of vaal roze waas over borst en flanken. De poten zijn donker, leigrijs tot bijna zwart. Vrouwtjes en jonge vogels zijn valer: de kop is grijsbruin in plaats van zwartig, het contrast met de keel is veel zachter en bij eerstejaars vogels is de iris nog donker.
Verwarringssoorten
Het lastigste paar is dat met de oostelijke orpheusgrasmus, die sinds 2001 als aparte soort wordt behandeld — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant is beschreven. De oostelijke vogel is een fractie groter en zwaarder gesnaveld, heeft een zwartere kap die dieper doorloopt en scherper afsteekt tegen een grijzere mantel, schoon witte onderdelen zonder de roomkleurige of roze waas van de westelijke vogel, en gemiddeld meer wit in de buitenste staartpennen. Alle verschillen zijn gradueel en overlappen; buiten het broedgebied is een orpheusgrasmus daarom vaak niet met zekerheid op naam te brengen, en dan beslissen de zang en vooral de vindplaats. De arealen raken elkaar niet: de westelijke soort broedt van Iberië en Zuid-Frankrijk tot Noordwest-Afrika, de oostelijke van Griekenland en Turkije oostwaarts. Van de zwartkop verschilt hij door zijn formaat, de zware snavel, de bleke iris en de kap die tot onder het oog doorloopt, terwijl de zwartkop een pet heeft die boven het oog stopt en een donker oog. De kleine zwartkop is veel kleiner en compacter, met een felrode oogring en een ratelende stem. De sperwergrasmus is even fors, maar heeft een gele iris, twee witte vleugelstrepen met witte tertialranden en bij oude vogels een gesperde onderzijde. Ruppells grasmus, een oostelijke soort, heeft bij het mannetje een zwarte keel met een witte baardstreep.
Leefgebied
Warm, halfopen en opgaand mediterraan landschap: open steeneik- en kurkeikbos met een struiklaag, dehesa met verspreide bomen, jeneverbes- en sabinarstruweel, hoge macchia op de lagere berghellingen, en oude amandel- en olijfgaarden met heggen en overhoekjes. Hij zit hoger en in opgaander begroeiing dan de kleine zwartkop en mijdt zowel gesloten bos als kaal, laag struweel: er moeten uitkijkposten boven de struiklaag staan. Meestal tussen 300 en 1.500 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Iberië, Zuid-Frankrijk, delen van Italië en in Noordwest-Afrika, en overwintert in de Sahel, ruim ten zuiden van de Sahara. Het Iberisch Schiereiland herbergt verreweg het grootste deel van de wereldpopulatie, met een zwaartepunt in Extremadura, Castilië, Aragón en de bergen van Andalusië. Aan de noordrand van het areaal gaat het slecht: in Zuid-Frankrijk is de soort sterk teruggelopen en in Zwitserland is hij vrijwel verdwenen. In Noordwest-Europa is hij een uitzonderlijke dwaalgast.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eind april tot half juni, in het eerste uur na zonsopgang, in open steeneikbos, een sabinar of een oude amandelgaard in Extremadura, Castilië of Aragón. Zoek niet in de struik maar op de hoogste twijgen: hij zingt bewust in het zicht. Leer eerst het rustige, merelachtige fluitmotiefje herkennen tussen de haastige strofen van grasmus, kleine zwartkop en baardgrasmus; heb je de vogel eenmaal in de kijker, let dan op de bleke iris, de zware snavel en de zwarte poten. Een orpheusgrasmus die zwijgt is een lastige vogel; een orpheusgrasmus die zingt is er meteen een.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de trend loopt binnen Europa sterk uiteen. Aan de noordrand — Zuid-Frankrijk, Zwitserland, Noord-Italië — is de soort in een halve eeuw grotendeels verdwenen, terwijl de Iberische en Noord-Afrikaanse populaties nog groot zijn. Het verlies van open bos met struiklaag, het omzetten van extensieve amandel- en olijfgaarden in intensieve aanplant, het opruimen van heggen en houtwallen en het dichtgroeien van verlaten weidegrond spelen alle mee. Als trekvogel die in de Sahel overwintert is hij bovendien afhankelijk van de regenval daar.



