Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Atlasgrasmus
Atlasgrasmus | Curruca deserticola
Tristram's warbler | Curruca del Atlas
De atlasgrasmus komt nergens anders voor dan in de Maghreb. Hij is de grasmus van de stenige berghellingen van Marokko, Algerije en Tunesië: een klein, warm gekleurd vogeltje met een roestrode vleugel en een lange, smalle staart die hij graag schuin omhoog houdt. In de winter zakt hij af naar de zuidflank van de Atlas en naar de oueds aan de woestijnrand, en daar zit hij ineens naast soorten die hem in het broedgebied nooit tegenkomen.
Geluid
Een snel, hoog en zoet strofetje van twee tot drie seconden, dat het meest lijkt op dat van een baardgrasmus maar iets voller en muzikaler klinkt en met een klein afzakkend slotje eindigt. Hij zingt vanaf de top van een lage jeneverbes of een doornstruik, en geregeld in een kort zangvluchtje waarbij hij een paar meter schuin omhoog klimt en zingend terugzakt. De roep is het meest bruikbare geluid: een droog, hard tsjet, vaak verdubbeld, en een snorrend trrrt bij onrust. Zingt vroeg — vanaf februari in de lagere gebieden, in het hooggebergte pas vanaf april — en houdt het tot in juni vol.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein, slank en opvallend langstaartig, met een staart die naar het uiteinde toe getrapt is en witte buitenste pennen heeft. Het mannetje heeft een blauwgrijze kop met een oranjerode oogring, een korte witte baardstreep onder de wang, en van keel tot onderbuik een roestige oranjebruine onderkant die nergens scherp ophoudt. De mantel is warm bruin en op de gevouwen vleugel ligt een breed roestrood paneel van brede zomen aan de armpennen en de tertials. De poten zijn oranje tot vleeskleurig, de snavel fijn met een lichte basis. Het vrouwtje is de bleke uitvoering van hetzelfde: grijsbruine kop, okerkleurig in plaats van rood oogringetje, warm roodbruine mantel en vleugel, en een zachte oranjebeige borst tegen een romige buik. Beide geslachten dragen de staart vaak schuin omhoog en spreiden hem bij elke sprong even open.
Verwarringssoorten
De westelijke baardgrasmus is hier de echte valkuil, want die overwintert en trekt in dezelfde struiken en het mannetje heeft eveneens een grijze kop, een rode oogring en een witte baardstreep. Drie dingen beslissen. De vleugel: bij de atlasgrasmus een breed roestrood paneel, bij de baardgrasmus een egaal grijsbruine vleugel zonder warme tinten. De onderkant: bij de atlasgrasmus loopt het roestige oranje zonder grens door tot op de buik en de onderstaartdekveren, bij de baardgrasmus staat de gekleurde borst tegen een witte buik. En de staart: bij de atlasgrasmus langer, smaller, duidelijk getrapt en vaak omhoog gehouden. Bij vrouwtjes kijk je naar het oogringetje — okerkleurig bij de atlasgrasmus, vuilwit bij de baardgrasmus — en naar diezelfde roestrode vleugel. De brilgrasmus zit in het vlakke, lage land eronder en heeft een kortere, rechtere staart, een fel witte oogring en donkere teugels; de atlasgrasmus mist dat donkere maskertje volledig. De provençaalse grasmus, in Noord-Marokko in hetzelfde struweel, is donker leigrijs van boven en wijnrood van onderen met witte spikkeltjes op de keel, en heeft een nog langere maar smallere staart zonder roestrood in de vleugel. De kalender helpt ook: in december en januari zit de atlasgrasmus er wél en de baardgrasmussen grotendeels niet.
Leefgebied
Open, laag en stekelig bergstruweel op stenige hellingen: verspreide jeneverbes, dwergeik, rozemarijn en tijm, doornige bolvormige struikjes, esparto en jujube tussen kale rots en grind. In Marokko vooral tussen ongeveer achthonderd en tweeduizend meter op de zuidflanken van de Hoge Atlas en in de Anti-Atlas, in Algerije in de Sahara-Atlas en de Aurès, in Tunesië in de bergen van het midden. Belangrijk is de structuur, niet de plantensoort: struiken tot kniehoogte met veel open, warme grond ertussen. In de winter zakken de vogels naar lagere hellingen, naar de oueds langs de woestijnrand en naar het struweel rond de zuidelijke oases.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Alleen Noordwest-Afrika: Marokko, Noord-Algerije, Tunesië en het uiterste noordwesten van Libië, met een uitloper in de westelijke Sahara. Daarmee ligt het hele areaal binnen het kaartgebied van deze gids — een van de weinige soorten waarvoor dat geldt. Hij zit er wel verspreid en ongelijkmatig: talrijk in enkele valleien en dan tientallen kilometers helemaal niet. Buiten de Maghreb is hij vrijwel niet vastgesteld; voor Europa staan er hooguit een paar dubieuze gevallen, en in Spanje is hij nooit aanvaard.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Maart en april, tussen de stenige hellingen van de zuidflank van de Hoge Atlas — de weg over de Tizi n'Tichka, de hellingen boven Boumalne Dadès, de Anti-Atlas bij Tafraoute — in het eerste uur na zonsopgang en bij weinig wind. Rijd langzaam, stop bij elke helling met verspreide lage struikjes en luister naar het droge, verdubbelde tsjet. De vogel zit laag en verstopt, maar zingt vanaf een uitstekend takje en komt in het zangvluchtje even helemaal vrij. Zie je hem, kijk dan meteen naar de vleugel: het roestrode paneel is bij goed licht van vijftig meter te zien en scheidt hem direct van elke baardgrasmus in dezelfde struik.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een areaal dat de hele Maghreb beslaat, maar de bezetting is dun en lapjesgewijs en er zijn nauwelijks tellingen. De druk komt van overbegrazing door schapen en geiten, waardoor de lage struiklaag op de berghellingen verdwijnt, van het kappen van jeneverbes en doornstruik voor brand- en bouwhout, en plaatselijk van het omzetten van hellingstruweel in aanplant. Waar de begroeiing tot kale steen is teruggebracht, is hij weg; waar de hellingen met rust worden gelaten, komt hij snel terug.



