Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Bonte tapuit
Bonte tapuit | Oenanthe pleschanka
Pied wheatear | Collalba pía
De tapuit van de steppe en de kliffen rond de Zwarte Zee: een zwart-wit mannetje met een witte kap en een gitzwarte rug, dat vanaf een steen of een kliftop in een vlinderachtige zangvlucht omhoog fladdert. Aan de westrand van zijn areaal, van Bulgarije tot Noord-Iran, broedt hij door de oostelijke blonde tapuit heen en kruisen de twee soorten op grote schaal — daar staan alle tussenvormen naast elkaar op de rotsen. In Noordwest-Europa is hij een najaarsdwaalgast.
Geluid
De zang is voller en muzikaler dan die van de blonde tapuiten: een gevarieerde reeks korte, fluitende en krassende zinnetjes met veel nabootsing van andere vogels, meestal gebracht in een opvallende zangvlucht waarbij de vogel met trage, vlinderachtige vleugelslagen boven de helling omhoog gaat en zich zingend laat terugzakken. De roep is een hard, droog tsjak, vaak in series, en een ruwer, gerekt zrrrt. Te horen van april tot in juli, het meest in de vroege ochtend.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slank en langstaartig, iets kleiner en fijner dan de tapuit. Het mannetje in broedkleed is onmiskenbaar: een zuiver witte kruin en nek, een gitzwart gezicht, keel en borstzijde, en een even zwarte mantel en rug, zodat het zwart van kin tot stuit één doorlopend vlak vormt. De onderdelen zijn schoon wit, zonder oranje of beige. De staart heeft meer zwart dan bij de blonde tapuiten: een brede zwarte eindband waarin het zwart bovendien flink omhoog klimt langs de buitenste staartpen. In vers najaarskleed verdwijnt het beeld volledig: brede beige en roomkleurige veerzomen bedekken kruin en mantel en de vogel oogt dan bruin en schubbig — precies het kleed waarin de meeste dwaalgasten in West-Europa opduiken. Het vrouwtje is donker grijsbruin met een vaag donkere kop, een lichte keel en dezelfde staart.
Verwarringssoorten
Alles begint bij de mantel. Bij de bonte tapuit is die zwart en steekt hij hard af tegen de witte kruin; bij de oostelijke blonde tapuit — zie ook zijn eigen soortpagina — blijft de mantel licht. Het tweede punt is de halszijde: hier vormen keel, halszijde en mantel één ononderbroken zwart vlak, terwijl bij de blonde tapuiten een lichte wig tussen keel en schouder blijft staan. Het derde is de staart, waarin de bonte tapuit duidelijk meer zwart heeft. Dat alles geldt echter alleen buiten de kruisingszone: aan de westkust van de Zwarte Zee, in de Kaukasus en in het Alborzgebergte in Noord-Iran broeden beide soorten door elkaar heen en zijn er zoveel tussenvormen dat een deel van de vogels op kleed niet te benoemen is. Wie daar staat, doet er verstandig aan het bij 'bonte of blonde tapuit' te houden. Ook de zang is dan geen redding: beide soorten zingen gevarieerd en met veel nabootsing, en in de gemengde populaties lopen ook de zangen door elkaar. De cyprustapuit lijkt het meest op deze soort en hoort er taxonomisch dicht bij, maar broedt uitsluitend op Cyprus, waar de bonte tapuit alleen als doortrekker langskomt. Hij is kleiner en korter van vleugel, de kruin is crèmekleurig in plaats van zuiver wit, borst en buik dragen een duidelijke oranjebeige waas waar de bonte tapuit schoon wit is, er zit meer zwart op rug en staart, en hij zingt vanuit bomen op vijf tot tien meter hoogte — een hoogte die geen enkele andere tapuit gebruikt. Zijn zang is bovendien geen strofe maar een reeks zoemende, krekelachtige stootjes. De tapuit is groter, grijzer van rug en heeft in de staart de bekende omgekeerde T. Bruine najaarsvogels van bonte tapuit worden in West-Europa vooral met tapuit verward: let dan op de langere staart, de fijnere snavel, de donkerder oorstreek en het bredere zwart in de staart. De zwarte tapuit is veel groter, geheel zwart met een witte stuit; de witkruintapuit heeft een witte kruin maar een geheel zwart lichaam en een bijna volledig witte staart; de woestijntapuit heeft een zandkleurige rug en een vrijwel geheel zwarte staart. Roodborsttapuit en paapje zijn kleiner, korter van staart en missen het witte stuitvlak.
Leefgebied
Open, droog en stenig land: steppe met kale plekken en verspreide stenen, ravijnen en erosiegeulen, rotsige berghellingen en steilranden, en aan de Zwarte Zee ook de kalksteenkliffen langs de kust. Verder steengroeves, ruïnes en verlaten gebouwen, waar hij in nissen en spleten nestelt. Altijd met kale grond om op te jagen, uitkijkposten van steen en een holte om het nest in te leggen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Zwarte Zee-steppen — Dobroedzja in Roemenië, de Bulgaarse kust bij Kaap Kaliakra, Zuid-Oekraïne en de Krim — oostwaarts door Zuid-Rusland, de Kaukasus, Iran en Centraal-Azië tot in Mongolië en Noord-China. De Europese populatie wordt op ongeveer 47.500 tot 215.000 volwassen vogels geschat, wat een klein deel van het wereldbestand is. Alle vogels overwinteren in Noordoost-Afrika, van Soedan en Ethiopië tot Kenia en Somalië, ruim buiten het kaartgebied. In Nederland zijn 35 gevallen aanvaard, met een duidelijke piek in oktober en november en een enkele vogel in het late voorjaar; het zijn vrijwel altijd bruine najaarsvogels op de Waddeneilanden of langs de kust.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eind april of mei aan de Bulgaarse Zwarte Zee-kust, bij Kaap Kaliakra of Kaap Emine: daar zingen de mannetjes vanaf de kalksteenkliffen en is de vlinderachtige zangvlucht boven de afgrond het mooiste wat de soort te bieden heeft. Kijk er meteen goed rond, want dit is midden in de kruisingszone en op dezelfde helling zitten zowel bonte als oostelijke blonde tapuiten en van alles daartussenin. In Nederland is het najaar het moment: half oktober tot eind november op een strandhoofd, een zeedijk of een kwelder op de Waddeneilanden, en dan gaat het om een bruine vogel waarbij alleen de staart, de proporties en veel geduld uitsluitsel geven.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; het areaal is enorm en het zwaartepunt ligt in Centraal-Azië, waar de aantallen stabiel lijken. Aan de Europese westrand is het beeld minder rustig: de kustpopulaties van Bulgarije en Roemenië zijn klein en gebonden aan een smalle strook steppe en klif die onder zware druk staat van kustbebouwing, windparken en toerisme, en het omzetten van steppe in akkerland heeft het areaal daar al eeuwenlang ingeperkt. In de Kaukasus en Iran is de soort talrijk. Steengroeves, ruïnes en verlaten stallen leveren op veel plekken nestgelegenheid die de natuurlijke rotsen aanvullen.




