Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Westelijke blonde tapuit
Westelijke blonde tapuit | Oenanthe hispanica
Western black-eared wheatear | Collalba rubia occidental
De tapuit van de warme, stenige zuidflank: een slanke vogel met een zwart masker en een romig okerkleurige rug, die vanaf een steen, een distel of een lage amandelboom op insecten jaagt en na elke vangst meteen terugkeert naar dezelfde post. In Spanje en Portugal is hij een gewone zomervogel van droog, open land. Sinds de wereldlijsten in 2018 en 2020 zijn omgegaan wordt hij los van de oostelijke blonde tapuit als aparte soort behandeld.
Geluid
De zang is een korte, gehaaste strofe van krassende en piepende tonen met daartussen een paar heldere fluitjes en wat nabootsing van buurvogels, gebracht vanaf een steen, een draad of in een korte, huppelende zangvlucht waarbij de vogel met trillende vleugels opklimt en zich weer laat zakken. De roep is een hard, droog tsjak, alsof twee kiezels tegen elkaar tikken, vaak in combinatie met een dun, opgaand psiet. Te horen van eind maart tot in juni, het sterkst in de eerste uren na zonsopgang.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleiner, slanker en langstaartiger dan de tapuit, en veel bleker. Het mannetje in broedkleed heeft een roomkleurige tot warm okergele kruin, nek en mantel — nooit zuiver wit — een zwart masker dat van de snavelbasis over de teugel en de oorstreek loopt, gitzwarte vleugels en witte onderdelen met een beige waas over de borst. Er zijn twee vormen: één met een witte keel en één met een zwarte keel die op het masker aansluit. Ze broeden door elkaar heen en zijn geen ondersoorten; in Iberië is de witkelige vorm het talrijkst. De staart is het tweede kenmerk: bijna helemaal wit, met een smalle zwarte eindband en een dunne zwarte middenstreep, dus veel minder zwart dan bij de tapuit. Het vrouwtje is warm zandbruin met een vaag donker masker, maar heeft precies dezelfde staart. In het najaar dekken brede roomkleurige veerzomen al het zwart af en oogt elke vogel bruin en vaag.
Verwarringssoorten
Dit is het lastigste hoekje van de familie, en de kaart telt hier even zwaar als de verrekijker. De oostelijke blonde tapuit — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat — is het echte probleem, al raken de arealen elkaar nauwelijks: alles ten westen van de Adriatische Zee, met Italië en Sicilië erbij, is westelijk; vanaf de Balkan oostwaarts is alles oostelijk. Bij een zingend mannetje in het voorjaar zijn er drie dingen te doen. Ten eerste de kleur van kruin en mantel: bij de westelijke romig tot warm oker, bij de oostelijke koel roomwit tot wit, zodat die laatste zwart-wit oogt waar deze zwart-beige oogt. Ten tweede het masker: bij de westelijke blijft het voorhoofd tot aan de snavel licht, bij de oostelijke loopt het zwart over de snavelbasis door en staat het hoger boven het oog, zodat het masker groter en zwaarder lijkt. Ten derde, bij de zwartkelige vorm, de halszijde: bij de oostelijke loopt het zwart van de keel breed door tot aan de donkere schouder, bij de westelijke is de zwarte keel kleiner en scherp begrensd tegen de beige borst. Bij vrouwtjes, eerstejaars en alle najaarsvogels houdt het op. Die zijn buiten hun broedgebied niet op naam te brengen, en zo hoort u ze ook te noteren. De bonte tapuit heeft als mannetje een zwarte mantel en rug die scherp tegen de witte kruin en nek afsteken, en bij hem loopt het zwart van de keel onafgebroken langs de halszijde door naar die zwarte mantel, terwijl bij beide blonde tapuiten de mantel licht blijft en er een lichte wig tussen keel en schouder overblijft; bovendien zit er meer zwart in zijn staart. De cyprustapuit, die alleen op Cyprus broedt, lijkt op de bonte tapuit maar is kleiner en korter van vleugel, heeft een crèmekleurige in plaats van witte kruin, een duidelijke oranjebeige waas over borst en buik, en een zang van zoemende, krekelachtige stootjes. De tapuit is groter, grijzer en steviger gebouwd, mist het okerbeige van kruin en mantel en heeft veel meer zwart in de staart: een brede eindband met een duidelijke middenstreep, samen een omgekeerde T. Verder naar het zuiden: de zwarte tapuit is geheel zwart met een witte stuit, de witkruintapuit is zwart met een witte kruin en een bijna geheel witte staart, de woestijntapuit heeft een zwarte keel die doorloopt tot op de schouder en een vrijwel geheel zwarte staart zonder witte zijranden, en de izabeltapuit is groter, egaal zandkleurig en hoogbenig, zonder enig zwart op kop of rug. Het paapje ten slotte heeft een brede lichte wenkbrauwstreep, een gestreepte rug en witte vlekken aan de staartbasis in plaats van een wit stuitvlak.
Leefgebied
Droog, open en stenig land met kale grond en verspreide struiken: garrigue, verlaten akkerterrassen, erosiehellingen en badlands, amandel- en olijfgaarden met onbewerkte bodem, wijngaarden, jeneverbesveld en zonnige, met stenen bezaaide hellingen. Hij heeft altijd twee dingen nodig: lage uitkijkposten om vanaf te jagen, en holtes onder stenen of in droge muurtjes om in te nestelen. Van zeeniveau tot ongeveer 1.500 meter, in Noordwest-Afrika hoger.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Portugal en Spanje, Zuid-Frankrijk, Italië met Sicilië en Sardinië, en in Marokko, Algerije en Tunesië. Alle vogels overwinteren in de westelijke Sahel, van Mauritanië en Senegal tot Niger, ruim buiten het kaartgebied. Spanje draagt verreweg het grootste deel: de laatste volledige landelijke schatting kwam op 513.000 tot 620.000 paren, met de hoogste dichtheden in de oostelijke helft van het land; Galicië, de Cantabrische strook en de Pyreneeën blijven leeg. In Frankrijk is nog een restje van 146 tot 289 paren over in 2022, vrijwel alleen in de Provence, de Aude en de Pyrénées-Orientales. In Nederland is elke blonde tapuit een uitzonderlijke dwaalgast, en veel gevallen blijven op de dubbelnaam staan omdat de twee soorten in het veld niet altijd uit elkaar te houden zijn.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
April en mei, kort na zonsopgang, op een droge stenige helling met verspreide struiken: de páramos van Aragón, de badlands van Almería, de wijnheuvels van La Mancha of de garrigue van de Corbières. Zoek een vogel die vanaf een lage steen of een paaltje naar de grond duikt en meteen weer op dezelfde post gaat zitten. Laat hem opvliegen en kijk naar de staart: het bijna volledig witte vlak met de smalle zwarte rand sluit tapuit, izabeltapuit en woestijntapuit in één beweging uit. Kijk pas daarna naar de keel, want zwartkelig en witkelig zijn dezelfde vogel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar in Spanje staat de soort als bijna bedreigd (NT) op de nationale lijst en loopt de afname al sinds de jaren zestig. De oorzaken zijn goed bekend: het dichtgroeien en bebossen van verlaten akkerland, de omschakeling van droge naar geïrrigeerde landbouw, het wegvallen van insecten door bestrijdingsmiddelen en de toenemende droogte in het zuiden. Als transsaharatrekker krijgt hij daarbovenop de droogte in de Sahel te verwerken. In Frankrijk is de val het hardst: daar resteren nog enkele honderden paren en geldt hij als ernstig bedreigd. Waar extensieve beweiding, kale stenige grond en oude muurtjes blijven bestaan, houdt hij stand.




