Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Diksnavelleeuwerik
Diksnavelleeuwerik | Ramphocoris clotbey
Thick-billed lark | Calandria picogorda
Een leeuwerik met de snavel van een kernbijter en het gezicht van een harlekijn. De snavel is bleekgrijs, kolossaal en kegelvormig, en kraakt zaden en slakkenhuisjes die geen enkele andere leeuwerik van de woestijn open krijgt. Hij hoort bij de kale steenvlaktes langs de noordrand van de Sahara, waar hij het ene jaar in troepjes rondloopt en het volgende jaar spoorloos is.
Geluid
De zang bestaat uit korte, volle, fluitende motieven met een rollend randje, wat weemoedig van toon en met korte stiltes ertussen. Hij brengt ze vanaf de grond, vanaf een steen of een lage struik, en soms in een trage, fladderende zangvlucht laag over de vlakte, waarbij hij op klapperende vleugels blijft hangen. De roep is een zacht, droog, rollend prrp, meestal van overvliegende groepjes, en daarnaast een voller fluitje. Het meest wordt er gezongen in de weken na een goede regenbui, van februari tot in april.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Forse, gedrongen leeuwerik van 17 tot 18 cm, met een opvallend grote kop, een korte staart en een rechtopstaande houding. Alles draait om de snavel: enorm, hoog aan de basis, zuiver kegelvormig en bleek blauwgrijs tot hoornkleurig, en hij neemt bijna een derde van de kop in beslag. Het mannetje heeft een zwarte teugel en een zwarte wangvlek met een witte stip eronder en een witte stip erachter, een zwarte kin, en witte onderdelen met grove zwarte druppels die op de buik samenvloeien tot een donkere vlek. Het vrouwtje is doffer: minder zwart in het gezicht en fijnere vlekken op de borst. Bovendelen grijszandkleurig met donkere veercentra. In vlucht ziet hij er heel anders uit dan op de grond: brede vleugels met zwarte slagpennen, een smalle witte achterrand en witte ondervleugeldekveren die scherp tegen dat zwart afsteken. Loopt met korte spurtjes van struik naar struik en blijft daartussen roerloos staan.
Verwarringssoorten
Zie je de snavel, dan is er geen twijfel mogelijk — geen andere leeuwerik van het gebied komt in de buurt. Het probleem zit in vlucht en op afstand. Kalanderleeuwerik en bergkalanderleeuwerik hebben ook een zware snavel en een zwart-wit vleugelbeeld, maar zijn langer gestaart, bruiner, missen het zwart-witte koppatroon en dragen in plaats daarvan een zwarte vlek op de halszijde; hun snavel is zwaar maar lang niet zo grof. De woestijnleeuwerik en de rosse woestijnleeuwerik lopen op dezelfde steenvlaktes, maar zijn effen zandkleurig, ongevlekt van onderen en hebben een kleine snavel. Temmincks strandleeuwerik deelt het zwart in het gezicht, maar heeft twee kleine zwarte hoorntjes, een geelwit gezicht, ongestreepte roze-zandkleurige onderdelen en een kleine snavel.
Leefgebied
Vlakke steenwoestijn: hamada en reg met grind en losse stenen en daartussen een ijle laag lage, houtige plantjes. In Marokko ook de randen van droge graanakkers, braak en overbegraasd erial die aan de woestijn grenzen, en in Israël de löss- en grindvlaktes van de westelijke Negev. Hij mijdt zand: in duinen is hij niet te vinden. Het nest is een kuiltje op open grond, meestal tegen een steen of een pol aan, met de rand opgehoogd uit steentjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de Westelijke Sahara en Zuid-Marokko oostwaarts door Algerije, Tunesië, Libië en Egypte tot Jordanië, de Negev in Israël en Noord-Arabië. Binnen het kaartgebied liggen de bekendste plekken in Marokko, met daarnaast Tunesië, Algerije en de Israëlische Negev. Hij trekt niet, maar zwerft wel sterk: de vogels volgen de regen en de zaadzetting, zodat de aantallen op een gegeven vlakte van jaar tot jaar enorm kunnen verschillen. Buiten de broedtijd vormt hij losse groepen, in goede jaren van tientallen vogels.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een vlakke, kale steenvlakte en werk hem langzaam af met de kijker vanuit of naast de auto — lopen jaagt de vogels alleen maar op. De klassieke plek is de Tagdiltpiste bij Boumalne Dades in Marokko, waar de soort vaak in kleine groepen tussen de stenen loopt. Let op wat oplicht: de bleke snavel vangt het licht en verraadt de vogel eerder dan de tekening. Vliegt een groepje op, kijk dan naar de ondervleugel, waar het wit scherp tegen het zwart afsteekt. In Israël is het gokken: na een natte winter kunnen ze op de lössvlaktes van de westelijke Negev opduiken, in een droog jaar helemaal niet.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal beslaat de hele noordrand van de Sahara en is enorm, maar de vogel zit er dun en onregelmatig in, en dat maakt trends bijna niet te lezen: een leeg jaar op de Tagdiltpiste zegt vooral iets over de regenval. De echte druk komt van overbegrazing, waardoor de ijle laag lage struikjes en daarmee de zaadvoorraad verdwijnt, van het omzetten van steppe naar geïrrigeerde teelt aan de woestijnrand en van het toenemende terreinrijden over de vlaktes. Aan de noordrand van het areaal, in Marokko en Israël, wordt hij daardoor plaatselijk schaarser.


