Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Egyptische nachtzwaluw
Egyptische nachtzwaluw | Caprimulgus aegyptius
Egyptian nightjar | Chotacabras egipcio
De bleekste nachtzwaluw van het hele kaartgebied: een vogel die overdag als een handvol zand op het zand ligt en pas bij het invallen van de duisternis losraakt van de bodem. Wie hem zoekt, zoekt niet naar een vogel maar naar twee ogen in een zaklamp.
Geluid
Een aanhoudende, mechanische ratel van lage, houten noten: koerr-koerr-koerr-koerr, minutenlang doorlopend en golvend in sterkte doordat de vogel zijn kop heen en weer draait, alsof het geluid langs je heen schuift. Trager en holler dan het snorren van de nachtzwaluw en zonder de plotselinge toonwisselingen daarvan. Het zwaarst rond middernacht in april en mei, van een lage zandrug of een kale kleiplaat.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groter en langer van vleugel en staart dan de nachtzwaluw, en vooral veel bleker: zandkleurig tot lichtgrijsbeige, met een fijne tekening die van dichtbij pas zichtbaar wordt en op afstand tot een egale, warme kleur versmelt. Kop plat, oog groot en zwart, snavel minuscuul boven een enorme bek met stevige mondborstels. Over de vleugeldekveren staan rijen bleke, roomkleurige vlekken. De witte handpenvlek is klein en dof — bij beide geslachten aanwezig maar zelden opvallend — en witte staarthoeken ontbreken zo goed als. In vlucht valt de trage, zachte, bijna nachtvlinderachtige slag op, met lange zweefstukken vlak boven het zand.
Verwarringssoorten
De nachtzwaluw is donkerder, grijsbruiner en korter van staart, en het mannetje heeft duidelijk wit in handpen en staarthoek. De moorse nachtzwaluw is groter en roodbruiner, met een oranje nekband en een fel wit handpenvenster, en zit in het westelijke Middellandse Zeegebied in ander terrein: kurkeikbos, maquis en pijnboomrand in plaats van kaal zand. In het uiterste zuidoosten kan de nubische nachtzwaluw naast hem staan; die is fors kleiner, roder van tint en heeft grote, opvallende witte vleugelvlekken. Doorslaggevend blijft in de praktijk de kleur: geen andere nachtzwaluw van dit gebied is zó bleek en zó egaal zandkleurig.
Leefgebied
Woestijn met genoeg leven erin: vlaktes van zand, grind en klei met verspreide struiken, de randen van wadi's met tamarisk, zoutvlakten en de zomen van oases en geïrrigeerd land. Water in de buurt is bijna altijd de sleutel — hij jaagt op nachtvlinders en kevers boven vochtige plekken, kanalen en velden, en overdag ligt hij op kaal zand, in een ondiepe kuil of onder een struik.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de Sahara en de woestijngordel daarachter, van Marokko en Algerije via de Nijlvallei en Sinaï tot in de Levant, Irak en Centraal-Azië. Binnen het kaartvenster ligt het zwaartepunt duidelijk in Marokko, waar hij in de zuidelijke woestijn wijd verbreid is, met daarnaast Algerije, Egypte en kleine aantallen in Israël en Jordanië. Vrijwel de hele populatie trekt naar de Sahel; alleen in Egypte blijven enkele vogels de winter over. In Europa is hij een grote zeldzaamheid, met een handvol gevallen ooit.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd een uur na zonsondergang stapvoets over een zandpiste in de zuidelijke Marokkaanse woestijn — de omgeving van Merzouga en Erg Chebbi is klassiek — en laat de koplampen laag over de grond schijnen. De ogen lichten oranjerood op, vaak midden op het spoor, en de vogel laat je dan verrassend dichtbij komen. Blijf in de auto zitten en zet de motor uit: uitstappen zet hem meteen op de wieken. Wie liever luistert, gaat op een windstille avond bij een woestijnbron staan en wacht op de houten ratel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een enorm areaal, maar de wereldtrend wordt als licht dalend ingeschat. Het knelpunt zit steeds op dezelfde plekken: de vochtige randen van de woestijn. Nieuwe irrigatie, dieper opgepompt grondwater, bebouwing van oaseranden en het verharden van pistes kosten broedplaatsen, en op onverlichte woestijnwegen worden vogels aangereden omdat ze bij naderend licht blijven zitten. Waar de randen van de oases als landschap behouden blijven, houdt de soort zich moeiteloos.



