Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Gekraagde roodstaart
Gekraagde roodstaart | Phoenicurus phoenicurus
Common redstart | Colirrojo real
Zwarte en gekraagde roodstaart vormen het paar dat elke beginner in Nederland als eerste uit elkaar moet leren houden. De gekraagde roodstaart is de vogel van het oude, open bos: grove dennen op de zandgronden, kromme eiken langs een heideveld, hoogstamboomgaarden en boerenerven met een holle knotwilg. Het mannetje in het voorjaar — wit voorhoofd, zwart gezicht, oranje borst — is een van de mooiste zangvogels van het land, en toch krijgen de meeste mensen hem nooit te zien, omdat hij hoog in de kroon zit en zelden lang op één tak blijft.
Geluid
De zang is een korte, weemoedige strofe die altijd op dezelfde manier begint: een gerekt, opgaand hwiet, gevolgd door twee of drie gelijke heldere tonen en daarna een haastig, rommelig staartje dat per strofe verandert en waarin geregeld flarden van andere soorten zitten — hwiet-tuu-tuu-tuu-tsjerrr. Dat vaste, opgaande begin is het handvat; de rest is nooit twee keer hetzelfde. Zingt van half april tot in juni, het hardst in het eerste uur na zonsopgang, meestal vanaf een dorre tak hoog in een boom. Roep: een helder, vragend hwiet, vrijwel altijd gevolgd door een of twee klakkende tek-jes, en bij onrust een lange reeks van die tikken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Slanke, rechtop zittende zangvogel met een roestrode staart en stuit die onophoudelijk trilt; dat trillen valt eerder op dan welke kleur ook. Het mannetje in broedkleed heeft een zuiver wit voorhoofd dat als een smalle band boven de snavel doorloopt in een witte wenkbrauwstreep, daaronder een zwart gezicht en een zwarte keel, en daarboven een blauwgrijze kruin en mantel. Borst en flanken zijn warm oranjeroest, de buik lichter. In het najaar liggen er brede grijsbeige veerzomen overheen, zodat het zwart en het wit half wegvallen en het mannetje er dof en vaal uitziet. Het vrouwtje is warm grijsbruin van boven en licht oranjebeige van onder, zonder zwart en zonder wit voorhoofd, met een groot donker oog in een egaal, open gezicht en dezelfde roestrode staart. Jonge vogels zijn geheel geschubd en gevlekt, opnieuw met die staart.
Verwarringssoorten
Zwarte roodstaart is het enige echte probleem — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Het mannetje daarvan is roetzwart met een grijze kruin en een witte vleugelspiegel, zonder wit voorhoofd en zonder oranje op de borst. Bij de vrouwtjes zit de beslissing in de kleur van de onderdelen: zwarte roodstaart is koud en egaal grijszwart tot roetgrijs, gekraagde roodstaart is warm zandbruin met een duidelijk oranjebeige zweem over borst en buik, en heeft een lichter, opener gezicht en een fijner postuur. De habitat helpt bijna altijd: steen, beton en industrie tegenover oud bos, boomgaard en erf. Jonge roodborsten worden ook wel voor jonge gekraagde roodstaarten gehouden, maar missen de trillende rode staart; de nachtegaal is groter en zwaarder, met een lange, warmbruine staart die hij optilt en spreidt in plaats van laat trillen.
Leefgebied
Oud, open bos met dood hout en weinig ondergroei, waar de vogel vanaf een lage tak op kale bodem kan jagen: oude grove-dennenbossen en eikenstrubben op de zandgronden, heide met vliegdennen, hoogstamboomgaarden, houtwallen, parkbossen, en boerenerven met knotwilgen of oude notenbomen. Het nest zit in een holte: een oud spechtengat, een spleet in een fruitboom, een gat in een muur of een nestkast met een ruime opening. De combinatie van holtes, lage uitkijkposten en open grond eronder is doorslaggevend; een dichte struiklaag maakt het terrein voor hem onbruikbaar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Ierland en Iberië tot ver in Siberië en van Lapland tot de bergen van Noordwest-Afrika; alle vogels overwinteren in de Sahel, ten zuiden van de Sahara. In Nederland een zomergast van half april tot september, met 20.000 tot 25.000 broedparen in 2018–2020. Het zwaartepunt ligt op de hoge zandgronden: Veluwe, Utrechtse Heuvelrug, Drenthe, de Brabantse en Limburgse bossen en de kustduinen. Uit het westen en noorden is hij sinds de jaren zeventig grotendeels verdwenen, waar hij vroeger een gewone erfvogel was. Op doortrek, in mei en opnieuw van augustus tot begin oktober, duikt hij overal op, tot in stadstuinen en op de zeewering. In Spanje broedt hij verspreid in de bergbossen van de noordelijke helft en trekt hij in grote aantallen door.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eind april, het eerste uur na zonsopgang, in een oud dennenbos op de Veluwe of langs een heideveld met verspreide grove dennen: blijf staan en wacht op dat gerekte hwiet uit een boomtop. Heb je de zanger gevonden, kijk dan naar het witte voorhoofd, dat in de zon van grote afstand oplicht. In augustus en september is het veel makkelijker: dan zitten doortrekkers laag in heggen, op prikkeldraad en langs bosranden — meestal vrouwtjes en jongen — en dan is de trillende roestrode staart het enige kenmerk dat je nodig hebt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Nederland neemt de soort sinds ongeveer 2010 weer significant toe, maar dat herstel volgt op een diepe val: in de jaren zeventig en tachtig verdween hij uit het westen en noorden samen met de hoogstamboomgaarden, de knotbomen en de rommelige boerenerven, en de landelijke staat van instandhouding geldt nog altijd als ongunstig. Op de wintergronden bepaalt de regenval in de Sahel hoeveel vogels terugkomen; een droog jaar daar is het voorjaar daarop in de Europese aantallen af te lezen. Het laten staan van dood hout, oude fruitbomen en holle erfbomen, en het openhouden van de bosbodem, helpen hem het snelst.




