Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Diadeemroodstaart

Diadeemroodstaart | Phoenicurus moussieri

Moussier's redstart | Colirrojo diademado

De mooiste vogel van de Maghreb, en gelukkig ook een van de makkelijkste. Het mannetje draagt een witte band die vlak boven het oog begint en in een brede boog om het oor heen tot in de nek doorloopt — de diadeem waar hij zijn naam aan dankt — met daaronder een zwart gezicht en daarvoor een felle oranjerode borst. Hij zit op een steen langs de weg, trilt met zijn roestrode staart en laat zich tot op tien meter benaderen. Buiten Marokko, Algerije en Tunesië komt hij nergens ter wereld voor.

Diadeemroodstaart (Phoenicurus moussieri)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort, haastig en wat schrapend: een snel afgeroffelde strofe van drie of vier delen, waarin een helder fluitje overgaat in een droge ratel en een piepend slot — trie-tsjururu-tsie — vaak in reeksen van vier of vijf strofen achter elkaar, met korte tussenpozen. Er zit geen vast, opgaand begin in zoals bij de gekraagde roodstaart; het geheel klinkt eerder als een klein, gehaast zangertje. Hij zingt van een steen, een lage struik of een telefoondraad, van januari tot mei en het hardst in maart en april. Roep: een helder, kort wiet, meestal gevolgd door een of twee droge tk-jes.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en rondkoppig, kleiner en compacter dan een gekraagde roodstaart, met een korte snavel en een staart die onophoudelijk trilt. Het mannetje: zwarte kop, keel, mantel en vleugels; een brede zuiver witte streep loopt van het voorhoofd boven het oog langs en buigt achter de oorstreek naar beneden en naar achteren tot in de zijhals, waar de twee helften in de nek bijna samenkomen. In de zwarte vleugel staat een groot wit veld op de handpenbasis. Borst, buik, flanken, stuit en staart zijn diep oranjerood, alleen het midden van de staart is donker. Het vrouwtje is warm grijsbruin van boven, licht oranjebeige van onder, met een roestrode stuit en staart, een groot donker oog in een egaal gezicht en meestal een klein, vaal wit vlekje op de vleugel. Jonge vogels zijn geschubd, opnieuw met die staart.

Verwarrings­soorten

Het mannetje is in zijn eigen gebied onmiskenbaar, mits je op de witte band let en niet alleen op het oranje. De gekraagde roodstaart, die in de Maghreb broedt en er doortrekt, heeft alleen een wit vóórhoofd dat als een smalle wenkbrauwstreep eindigt en nooit om het oor heen naar de nek loopt, en hij is blauwgrijs op kruin en mantel in plaats van zwart, met geen wit in de vleugel. De zwarte roodstaart heeft wel een wit vleugelveld, maar is roetzwart of grijs op de onderdelen en mist het oranje op de borst en de witte kopband volledig. De vrouwtjes zijn het echte werk: die van de diadeemroodstaart is kleiner en ronder van kop dan een vrouwtje gekraagde roodstaart, warmer oranje op de onderdelen tot in de onderstaartdekveren, en toont bijna altijd een spoortje van het witte vleugelveld dat een vrouwtje gekraagde roodstaart nooit heeft. Terrein helpt bovendien: de diadeemroodstaart zit op open, stenige hellingen met lage struiken, de gekraagde roodstaart in oud bos.

Leefgebied

Open, stenige hellingen met lage, verspreide struiken en veel kale grond ertussen: garrigue en dwergpalmvlakte, rotsige berghellingen, puinhellingen, ravijnranden, kapvlakten en de open randen van ceder- en eikenbos, van zeeniveau tot boven de drieduizend meter in de Hoge Atlas. Het nest zit laag, in een spleet tussen stenen, onder een overhangende zode of in een muurtje. Foerageert vanaf een lage uitkijkpost door op de kale grond te vallen. In de winter zakken de bergvogels naar de dalen en verschijnen ze in olijfgaarden, boomgaarden, wadi's, steppe en de noordrand van de Sahara.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Een vogel van uitsluitend Noordwest-Afrika: Marokko, Noord-Algerije en Noord-Tunesië, met het zwaartepunt in de Hoge Atlas, de Midden-Atlas, de Anti-Atlas en het Rifgebergte, en verder in de Algerijnse Tell en de bergen van Tunesië. Standvogel, maar met een duidelijke hoogtetrek: wat boven de tweeduizend meter broedt, verlaat die hoogte in oktober en komt in maart terug. Sommige vogels steken in de winter tot de Saharaoases door. Ten noorden van de Middellandse Zee is het een grote zeldzaamheid, met een handvol gevallen in Spanje, Frankrijk, Italië en op Malta, vrijwel altijd in het winterhalfjaar.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De weg van Marrakech over de Tizi n'Tichka, of de hellingen rond Oukaïmeden in de Hoge Atlas, van maart tot mei. Stop gewoon bij een stenige helling met lage struiken en kijk langs de bermstenen, de rotsblokken en de draden: het mannetje zit vrijwel altijd op het hoogste punt in de omtrek en valt met dat oranje al van honderd meter op. In de winter hoef je de bergen niet in — dan zitten ze in de olijfgaarden en langs de wadi's rond Marrakech en Agadir, en langs de kust bij Essaouira. Kijk naar de witte band, niet naar de kleur: die band is wat de soort maakt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern). Het areaal is klein — de soort komt nergens anders ter wereld voor — maar binnen dat areaal is hij algemeen tot zeer algemeen, en hij redt zich in terrein dat door begrazing en kap juist opener is geworden. Van alle vogels van de Maghreb is dit een van de weinige die van een half afgetakeld landschap profiteert: waar het bos wijkt en er kale grond met losse struiken voor terugkomt, zit hij. De aandacht gaat daarom minder naar de soort zelf dan naar het geheel waarin hij leeft; wat de bergvogels op termijn kan raken is de opwarming, die de bruikbare zone in de Atlas naar boven opschuift, en het opdrogen van de hooggelegen bronnen.

Wetenschappelijke naam

Phoenicurus moussieri (Olphe-Galliard, 1852)

Olphe-Galliard beschreef de soort in 1852 als Erythacus moussieri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoenicurus werd in 1817 ingevoerd door Forster. Phoenicurus is Grieks, van phoinix 'rood' en -ouros '-staartig'. moussieri eert Jean Moussier (1795–1850), Frans legerchirurg ten tijde van de napoleontische oorlogen en amateur-natuuronderzoeker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije.