Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Grijswangdwerglijster
Grijswangdwerglijster | Catharus minimus
Gray-cheeked thrush | Zorzalito carigrís
Van alle Amerikaanse zangvogels die de oversteek halen is de grijswangdwerglijster de meest voorspelbare: bijna elk jaar duiken er in de eerste helft van oktober een of enkele op aan de westkust van Ierland en op de Schotse eilanden. Hij broedt in het laagste, meest windgeteisterde struweel van de arctische boomgrens en trekt van daar in één ruk over de Atlantische Oceaan naar Zuid-Amerika — een route die hem, bij een storm op het verkeerde moment, recht naar Europa duwt.
Geluid
De roep is het beste kenmerk voor wie de vogel niet goed ziet: een dun, nasaal en duidelijk dalend tsjieuw of vieer, met een klaaglijke, wat schrapende klank die aan een gedempte koperwiek doet denken maar korter en nasaler is. Op nachttrek boven de kust is dit de roep die de soort verraadt, en in Noord-Amerika wordt hij op die manier geteld. De zang, hier niet te horen, is een dunne, wat schril nasale reeks die eerst omhoog en dan omlaag draait, tsji-ie-oe-ie-a, en klinkt alsof de vogel te weinig lucht heeft.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kleine, koel gekleurde lijster ter grootte van een spreeuw, met een grote kop, een korte staart en naar verhouding lange, spitse vleugels. Van boven volledig egaal grijsbruin tot olijfgrijs: mantel, vleugels, stuit en staart hebben alle precies dezelfde kleur, en juist die eentonigheid is het kenmerk. Het gezicht is opvallend vlak en grijs, zonder tekening: geen wenkbrauwstreep, geen warme wangen, en de teugel is grijs tot grijswit. De oogring is dun, onvolledig en meestal alleen achter en boven het oog te zien — nooit de brede, roomwitte bril van een heremietlijster. De borst is romig wit met diffuse, wat grijzige druppelvlekken die minder scherp zijn afgetekend dan bij een zanglijster; de flanken zijn koel grijsbruin. Op de ondervleugel loopt een bleke band over de basis van de handpennen; bij deze soort is die koel grijswit, niet okerkleurig. De ondersnavel is over de basale helft geelroze, de poten zijn vaal roze. Geslachten gelijk. Het beeld is dat van een grijze, sobere, wat sombere vogel die vrijwel bewegingloos in de dekking zit — hij wipt zijn staart niet.
Verwarringssoorten
De heremietlijster is de tegenhanger, en het verschil is er één van contrast — zie ook zijn eigen pagina, waar hetzelfde vanaf de andere kant staat. Daar zijn stuit en staart warm roestrood tegen een dofbruine rug; hier is alles van kruin tot staartpunt dezelfde koele kleur. De heremietlijster heeft bovendien een brede, roomwitte oogring die als een bril op het gezicht ligt, warmer okerkleurige tinten op borst en ondervleugelband, en hij wipt onophoudelijk zijn staart. De grijswangdwerglijster is groter, langer en spitser van vleugel, en oogt grauwer. Swainsons lijster Catharus ustulatus, in Europa iets talrijker dan de heremietlijster, is het derde lid van de reeks: opvallende warm okerkleurige bril die naar de snavel doorloopt, okerkleurige wangen en okerkleurige waas over de bovenborst, en zijn roep is een kort, helder kwiet als een waterdruppel. Bicknells lijster Catharus bicknelli is van de grijswangdwerglijster in het veld praktisch niet te scheiden — kleiner, met iets warmere staart en meer geel op de ondersnavel — en is in Europa nog niet met zekerheid vastgesteld; laat een grijze Catharus die niet in de hand is gemeten daarom als grijswangdwerglijster staan of helemaal onbenoemd. Van de zanglijster verschilt hij door het veel kleinere formaat, het vlakke grijze gezicht, de diffuse vlekking en de bleke ondervleugelband tegenover de okergele ondervleugel van de zanglijster. De Aziatische dwaallijsters die in dezelfde oktoberweken kunnen opduiken zijn allemaal Turdus-lijsters: forser, langer gestaart, met een duidelijke wenkbrauwstreep of getekende keel en zonder bleke ondervleugelband.
Leefgebied
Broedt in het lage, dichte struweel aan en boven de arctische boomgrens: wilgen- en elzenstruweel langs toendrabeken, dwergberkenstruiken, en het laatste, kromgegroeide en opengewaaide sparrenbos van de taigarand. Het nest staat laag in een wilg of spar of tegen de grond in het struweel. Foerageert lopend en huppend in de strooisellaag onder het struweel; op trek in dicht struikgewas en bosranden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Newfoundland, Labrador en Noord-Quebec via arctisch Canada tot Alaska en het uiterste noordoosten van Siberië, en overwintert in het noorden van Zuid-Amerika — een van de langste trekwegen van het geslacht, met een oversteek van de open oceaan die deels boven zee wordt afgelegd. Precies dat maakt de soort tot de meest regelmatige Amerikaanse lijster in Europa: sinds de eerste, gevangen op Fair Isle in 1953, gaat het om tientallen gevallen, met Ierland (Cape Clear, Mayo, Kerry), de Scilly-eilanden, de Buiten-Hebriden en de Noordelijke Eilanden als vaste plekken en op Corvo op de Azoren jaarlijkse aantallen. In Nederland is er één geval: op 5 november 2018 werd bij Monster in het Westland een sterk vermagerde eerstejaars vogel verzwakt opgeraapt, in vogelopvang De Wulp geringd en na herstel losgelaten — meteen de eerste voor de Benelux.
Waar en wanneer kijken
De eerste twee weken van oktober, twee tot vier dagen na een snel doorlopend lagedrukgebied dat vanaf Newfoundland naar Ierland is getrokken. Werk dan de klassieke plekken af: de tamarisk- en vlierbosjes en de omheinde tuintjes van Cape Clear, Scilly of Corvo, en op de Hebriden de kleine wilgenstruwelen en moestuinen bij de kroften. Zoek laag en let op een grijze, weinig getekende vogel die zonder geluid van de ene struik naar de andere schiet. Kijk als eerste naar de staart tegen de rug: zie je géén kleurverschil, dan heb je grote kans op deze soort. Controleer daarna het vlakke grijze gezicht en het ontbreken van de brede oogring, en probeer de vogel te laten opvliegen om de ondervleugelband te zien.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar het beeld is minder rustig dan die trede suggereert. De oostelijke, op Newfoundland broedende vorm is in enkele decennia met tientallen procenten teruggelopen, waarbij de ingevoerde rode eekhoorn — die nesten leegrooft — als belangrijkste oorzaak wordt aangewezen, met daarnaast verlies van winterhabitat in Noord-Zuid-Amerika. Voor de veel grotere populatie in arctisch Canada en Alaska zijn de trends slecht bekend, simpelweg omdat er nauwelijks iemand telt. In Europa gaat het uitsluitend om verwaaide individuen zonder eigen populatie.



