Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Bruine lijster
Bruine lijster | Turdus eunomus
Dusky thrush | Zorzal oscuro
De bruine lijster is de Oost-Siberische tegenhanger van de kramsvogel: een vogel van open lariksbos en struweel aan de bosgrens, die in de winter met duizenden tegelijk op de akkers en in de parken van Japan, Korea en Oost-China valt. In Europa is hij de zeldzaamste van de drie Siberische lijsters in deze gids. Nederland heeft vier aanvaarde gevallen: twee oude, uit 1899 en 1955, en twee moderne — in de stad Groningen in november 2016 en op Vlieland in oktober 2019. Wie er ooit een ziet, ziet vooral het roestrood in de vleugel.
Geluid
Roept veel, en meestal al voordat je hem ziet. De vluchtroep is een schor, wat nasaal sjek-sjek of kwek-kwek, harder en lager dan het geratel van een kramsvogel; daarnaast een dun, gerekt tsjie dat aan de koperwiek doet denken. Bij onrust versnelt het tot een rammelend tsjak-tsjak-tsjak-tsjak. De zang, in Europa niet te horen, is kort en eenvoudig: twee of drie heldere, wat schrille fluittonen die omhoog en weer omlaag draaien, gevolgd door een droog, piepend gekras — een strofe die op die van de koperwiek lijkt maar ruwer klinkt en trager wordt herhaald.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer zo groot als een zanglijster maar forser en breder van borst, met een korte staart en een gedrongen, kramsvogelachtige indruk. Het gezicht is scherp getekend: een lange, brede roomwitte wenkbrauwstreep loopt van de snavelbasis tot ver achter het oog, daaronder ligt een donkere oorstreek en daaronder weer een witte baardstreep, van onderen afgezet door een zwarte snorstreep. De keel is wit. Borst en flanken zijn wit met zware zwarte maantjes en pijlpunten die op de borst een brede band vormen en op de flanken in rijen doorlopen; buik en onderstaartdekveren zijn wit. Het beslissende kenmerk zit op de gevouwen vleugel: de grote dekveren en de zomen van de armpennen zijn helder roestrood en vormen samen een breed, warm paneel dat geen andere lijster in dit gebied zo toont. Ook op de stuit en in de zomen van de staartveren zit roestrood, en de ondervleugeldekveren zijn roestbruin. De mantel is dofbruin en steekt daar juist saai bij af. Mannetjes zijn zwaarder en zwarter getekend dan vrouwtjes; eerstejaars vogels zijn matter, met bruinere maantjes en een minder helder vleugelpaneel.
Verwarringssoorten
De zwartkeellijster is de verwarringssoort — zie ook zijn eigen pagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Die is grijzer, effener en langer gestaart, en zijn bovendelen hebben van kruin tot staartpunt precies dezelfde koele kleur: geen roestrood paneel, geen roestrode stuit, geen roestrood in de staart. Zijn kop is vlak en weinig getekend, met hooguit een vage wenkbrauwstreep in plaats van de brede witte streep van de bruine lijster, en het zwart vormt bij het mannetje een gesloten bef op keel en bovenborst en bij vrouwtjes een simpele halsband, nooit rijen zwarte maantjes over de hele borst en flank. Wat níét helpt is de ondervleugel: die is bij beide roestbruin. Naumanns lijster Turdus naumanni, vroeger met de bruine lijster als één soort geteld en sinds omstreeks 2010 in de wereldlijsten apart behandeld, is de lastigste van allemaal: daar is het rood zachter en oranjeachtig en zit het op de borst, de flanken en de staart in plaats van in de vleugel, en zijn de bovendelen warmer bruin. De twee kruisen waar hun broedgebieden elkaar raken, en tussenvormen bereiken Europa; een bruine lijster met te veel oranje op de flanken of te weinig zwart op de borst wordt daarom streng bekeken. Koperwiek is veel kleiner en heeft wel roestrode flanken en ondervleugel maar geen vleugelpaneel, en fijne strepen in plaats van maantjes. Kramsvogel is groter, met grijze kop en stuit en een spierwitte ondervleugel. De grote gevlekte Aziatische lijsters tonen een brede zwart-witte band over de ondervleugel, wat geen Turdus-lijster heeft.
Leefgebied
Broedt in het open bos en het struweel van de Oost-Siberische boomgrens: lariksbos met een lage ondergroei, berkenbos, wilgen- en elzenstruweel langs toendrabeken, en de laatste kromme boomgroepen in de bostoendra. Van de drie soorten hier zit hij het noordelijkst en het meest in de open zone waar bos in struweel overgaat. Het nest staat laag in een boom of struik, soms bijna op de grond. Foerageert lopend op de vochtige bodem tussen mos, strooisel en dwergstruiken. In het winterkwartier op stoppelvelden, rijstakkers, parken en boomgaarden, vaak in grote troepen; de Europese dwaalgasten belanden in hagen, plantsoenen en boomgaarden met lijsterbes, meidoorn en klimop.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Midden-Siberië oostwaarts tot de Kolyma en Kamtsjatka en overwintert in Japan, Korea, Oost-China en Taiwan; kleinere aantallen bereiken de Himalaya en Noordoost-India. Naar het westen toe is hij een grote zeldzaamheid, met enkele tientallen gevallen in heel Europa, verspreid over Groot-Brittannië, Scandinavië, Midden-Europa en het Middellandse Zeegebied, en met een zwaartepunt van eind oktober tot in de winter. De vier Nederlandse gevallen zijn een vogel bij Dantumadiel op 20 november 1899, een bij Kampen op 20 februari 1955, een in de stad Groningen van 8 tot 11 november 2016 en een op Vlieland van 25 tot 28 oktober 2019. Dat patroon — een najaarsvogel die in een dorp of een stadswijk blijft hangen en soms de winter probeert uit te zitten — geldt voor heel West-Europa.
Waar en wanneer kijken
Realistisch gezien is dit een soort waar je naartoe reist: houd van eind oktober tot in januari de meldingen in de gaten en reken erop dat de vogel bij een goede bessenstruik een paar dagen tot enkele weken blijft. Wie zelf wil zoeken, werkt in de tweede helft van oktober de bessendragende hagen en dorpstuinen van de Waddeneilanden af, bij voorkeur na een periode met aanhoudende oostenwind. Kijk in een troep kramsvogels en koperwieken naar de vleugels in plaats van naar de koppen: één helder roestrood paneel tussen honderd grijsbruine vleugels valt van tientallen meters op, en pas daarna controleer je de witte wenkbrauwstreep en de zwarte maantjes. Luister ondertussen naar het schorre sjek-sjek, dat tussen het gekras van de kramsvogels net iets ruwer klinkt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd — het areaal is groot en de populatie telt miljoenen vogels — maar de trend wijst omlaag. Japan, waar de soort in de winter het talrijkst is en waar al bijna een eeuw wordt geteld, laat een duidelijke afname zien; het verdwijnen van natte rijstakkers, ruilverkaveling en het opruimen van akkerranden worden genoemd, en op de broedgronden speelt de kap van lariksbos. De Rode Lijst beoordeelt de bruine lijster inmiddels als aparte soort en niet meer onder de ruime Turdus naumanni, en die eigen beoordeling luidt niet bedreigd. Voor het gebied van deze gids is en blijft hij een dwaalgast: er is geen enkel deel van de kaart waar hij regelmatig verschijnt, en de gevallen die er zijn betreffen losse, verwaaide vogels.
Wetenschappelijke naam
Turdus eunomus Temminck, 1831
Temminck beschreef de soort in 1831 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. eunomus is Grieks voor 'ordelijk, welgeordend'; waarom de naam aan deze lijster is gegeven, is niet duidelijk. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Japan.



