Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Vale lijster
Vale lijster | Turdus obscurus
Eyebrowed thrush | Zorzal cejudo
De vale lijster is de kleinste en de netste van de Siberische lijsters: leigrijze kop, olijfbruine rug, een fel witte wenkbrauwstreep en effen oranje flanken. Hij broedt in het dichte, vochtige taigabos van Midden- en Oost-Siberië en trekt in één ruk naar Zuidoost-Azië, waar hij overwintert in het bergbos van Borneo en de Filipijnen. Van de drie is hij hier de meest voorspelbare dwaalgast: bijna elk najaar duiken er in de laatste dagen van september en in oktober een of enkele op langs de Noordzeekusten en op de Britse eilanden. Nederland telt negen aanvaarde gevallen.
Geluid
In het veld hoor je hem vooral op trek: een dun, wat nasaal en licht dalend tsjiep of dzieh, korter en zachter dan de nachtelijke roep van de koperwiek en zonder de scherpe punt daarvan. Bij verstoring een kort, laag tuk of tsjuk, als van een merel in de schemer. De zang, in Europa niet te horen, is kort en eenvoudig: twee tot vier heldere fluittonen die als een vraag omhoog buigen, tjuu-wie-tjuu, met een korte, ijle triller erachteraan en lange stiltes tussen de strofen. De vogel zingt vanaf een tak halverwege de kroon, meestal in het eerste of het laatste licht.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een kleine, slanke lijster, kleiner dan een zanglijster, met een korte staart en naar verhouding lange, spitse vleugels. De kop is leigrijs en de rug olijfbruin, en juist dat kleurverschil tussen kop en romp valt van een afstand op. De koptekening is de handtekening van de soort: een lange, zuiver witte wenkbrauwstreep van de snavelbasis tot achter het oog, een korte witte streep onder het oog en een witte vlek aan de kinbasis, alle drie scherp afgetekend tegen een donkergrijs gezicht. Bij het mannetje is de kop het donkerst en oogt de teugel bijna zwart; bij het vrouwtje is alles zachter en bruiner en is de keel witachtig en licht gestreept. Borstzijden en flanken zijn effen oranje tot roestoranje, scherp begrensd tegen een spierwitte buik en witte onderstaartdekveren. De onderdelen zijn verder ongevlekt; alleen jonge vogels tonen wat donkere spikkels op de borst. De ondervleugel is grijs, zonder warm rood en zonder bleke band. De snavel is geel met een donkere punt, de poten zijn geelbruin tot oranjeachtig.
Verwarringssoorten
Zodra de onderdelen te zien zijn is de verwarring met de andere twee Siberische lijsters klein: zwartkeellijster en bruine lijster zijn beide duidelijk groter en zwaarder, hebben zwart op keel, borst of flanken en een witte buik zonder een spoor van oranje. De bruine lijster heeft bovendien het brede roestrode vleugelpaneel dat de vale lijster mist, en de zwartkeellijster is van kruin tot staart egaal grijsbruin. De echte valkuil is de roodborstlijster, die eveneens een grijze kop, oranje onderdelen en een witte buikstreep draagt. Maar die is fors groter, heeft het oranje over de hele borst en buik in plaats van alleen op de borstzijden en de flanken, mist de witte wenkbrauwstreep en heeft in plaats daarvan witte oogleden en een wit, zwaar zwart gestreepte keel. Van de zanglijster verschilt de vale lijster door de grijze kop, de wenkbrauwstreep, de ongevlekte onderdelen en de grijze in plaats van okergele ondervleugel; van de koperwiek door de oranje in plaats van roestrode flanken, het ontbreken van strepen op de borst en opnieuw de grijze ondervleugel. De Amerikaanse dwerglijsters, die in dezelfde oktoberweken kunnen opduiken, zijn kleiner en bruiner, hebben diffuse vlekken over de borst, een bleke band over de ondervleugel en geen oranje op de flanken. De grote gevlekte Aziatische lijsters ten slotte hebben een brede zwart-witte band over de ondervleugel.
Leefgebied
Broedt in dicht, vochtig taigabos: sparren- en lariksbos met een gesloten kroondak en een dichte struiklaag, berken- en gemengd bos langs rivieren, en het wilgen- en elzenstruweel in de beekdalen. Anders dan de bruine lijster is dit een vogel van het bos zelf en niet van de open bosgrens; hij zit hoog en verborgen en is op de broedplaats vaker te horen dan te zien. In het winterkwartier in bergbos en opgaand secundair bos van Zuidoost-Azië, in troepen in vruchtdragende bomen. De Europese dwaalgasten zitten in duinstruweel, vlier- en meidoornhagen en dorpstuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Jenisej oostwaarts tot Kamtsjatka, Sachalin en Noord-Japan en overwintert van Noordoost-India en Zuid-China tot in Indochina, Borneo en de Filipijnen; op doortrek is hij in Japan en Korea een van de talrijkste lijsters. In Europa is hij een zeldzame maar bijna jaarlijkse dwaalgast, met de meeste gevallen op de Britse eilanden, in Scandinavië en langs de Noordzeekust, en met een duidelijk zwaartepunt van eind september tot begin november; een kleinere reeks vogels verschijnt in april en mei. De negen Nederlandse gevallen lopen van een vogel bij Velsen op 27 oktober 1843 tot een in Noardeast-Fryslân op 15 en 16 november 2020, met daartussen twee voorjaarsgevallen: Amstelveen van 24 tot 26 april 1977 en Roermond van 5 tot 7 mei 1989.
Waar en wanneer kijken
Zoek in de laatste week van september en de eerste helft van oktober, en laat het weer beslissen: de gevallen vallen bijna zonder uitzondering samen met een blokkerend hogedrukgebied boven Scandinavië of Rusland dat dagenlang oostenwind over de Noordzee zet — hetzelfde beeld dat bladkoning en Siberische boompieper brengt. Werk dan de dekking op de Waddeneilanden af: vlierbosjes, meidoornstruweel, de tuinen en erfjes rond de dorpen en de begraafplaatsen. De vogel zit stil en vrij hoog in de struik en verplaatst zich weinig. Kijk als eerste naar de kop, want een fel witte wenkbrauwstreep op een grijze kop valt zelfs door bladeren heen op; controleer daarna de scherp begrensde oranje flank tegen de witte buik. In een troep kramsvogels of koperwieken zoek je één vogel die kleiner is en korter van staart.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd: het areaal is enorm en de aantallen zijn groot, met de kanttekening dat de trend slecht bekend is omdat er in de Siberische taiga nauwelijks geteld wordt. Op de trekweg en in het winterkwartier is de soort wel kwetsbaar. In delen van Zuidoost-Azië worden lijsters op grote schaal met netten gevangen voor de handel en de pot, en het bergbos waarin de vale lijster overwintert loopt in oppervlakte terug. Anders dan bij de zwartkeellijster en de bruine lijster staat de taxonomie hier niet ter discussie: de vale lijster is altijd als aparte soort geteld en heeft dus al lang een eigen beoordeling op de Rode Lijst. Voor het gebied van deze gids is en blijft hij een dwaalgast; er is geen deel van de kaart waar hij regelmatig verschijnt.



