Alle soortenZangvogelsLijsters › Roodborstlijster

Roodborstlijster | Turdus migratorius

American robin | Zorzal robín

In Noord-Amerika is dit de vogel van elk gazon, het equivalent van onze merel; in Europa is hij een van de meest gezochte dwaalgasten. Anders dan de dwerglijsters, die na een storm een paar dagen in een duinstruweel verdwijnen, gedraagt de roodborstlijster zich hier zoals thuis: hij zoekt een tuin met hulst- of meidoornbessen op, blijft er soms weken hangen en laat zich door honderden mensen bekijken. Het merendeel van de Britse gevallen valt daardoor in december, januari en februari.

Roodborstlijster (Turdus migratorius)
Foto: Wildreturn — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een opgewekte, aaneengeregen reeks korte fluitmotieven met een duidelijk op-en-neer patroon, tsjierili tsjieroe tsjierili tsjieroe, in strofen van twee tot vijf noten met korte pauzes; hij zingt vroeg in de ochtend en lang door in de schemer. De alarmroep is een scherp, doorlopend tuk-tuk-tuk dat tot een ratel kan versnellen, vaak gecombineerd met een hoog, dun siiih. Daarnaast een merkwaardig hinnikend, ratelend tjuk-tjuk-tjuk-tjukkerrr bij opwinding. Dwaalgasten in Europa roepen betrekkelijk veel: het scherpe tuk-tuk-tuk is meestal het eerste wat een tuinvogelaar opvalt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Een forse lijster, ongeveer zo groot als een merel maar slanker, langer gestaart en rechter van houding. De bovendelen zijn effen leigrijs, de kop zwartig bij het mannetje en grijzer bij het vrouwtje. Twee kenmerken vallen meteen op: de witte oogleden, die als een korte streep boven en onder het oog staan en het gezicht een verbaasde uitdrukking geven, en de witte keel met zware zwarte streping, scherp begrensd tegen de kleur eronder. De hele borst, buik en flanken zijn diep baksteenrood tot oranjerood, en die kleur eindigt abrupt in witte onderstaartdekveren en een witte buikstreep tussen de poten. De snavel is geel met een donkere punt, de poten zijn donker. In vlucht toont hij witte punten aan de buitenste staartpennen en een lichtgrijze tot grijswitte ondervleugel. Eerstejaars vogels in het najaar hebben roomkleurige punten op de grote dekveren en donkere schubvlekjes over het oranje. Op de grond loopt en rent hij met korte sprints en abrupte stops, waarna hij rechtop stilstaat en kopschuin naar de bodem luistert — precies zoals een kramsvogel op een nat weiland.

Verwarrings­soorten

In Europa is er geen echte verwarringssoort, maar er zijn drie valkuilen. De eerste is de kramsvogel, die op afstand ook een grijze kop op een donkere rug lijkt te hebben; hij heeft echter een grijze stuit tegen een kastanjebruine mantel, een gele, zwart gevlekte borst in plaats van een egaal oranje onderkant, en een fel witte ondervleugel die bij het opvliegen oplicht. De tweede is een merelvrouwtje in slecht licht, dat vaag roodbruin op de borst kan lijken, maar dat mist de leigrijze bovendelen, de witte oogleden en de gestreepte keel. De derde is verwarring met de roodborst, waar de Engelse naam toe uitnodigt: de roodborst is een kwart van het gewicht, heeft oranje tot op de keel en het voorhoofd, en geen enkele lijsterhouding. Van de Aziatische dwaallijsters, die in dezelfde maanden kunnen verschijnen, komt er één in de buurt doordat ook die oranje op de onderdelen draagt; daar blijft het oranje echter tot de flanken beperkt, met een witte buik, een opvallende witte wenkbrauwstreep en een lichte oogring, en de vogel is kleiner en fijner getekend. De overige Aziatische lijsters hebben stuk voor stuk een duidelijke wenkbrauwstreep of een zwart getekende keel en missen het egale, tot op de buik doorlopende baksteenrood.

Leefgebied

In Noord-Amerika bijna overal waar bomen en korte vegetatie samenkomen: gazons, tuinen, parken, kerkhoven, boomgaarden, akkerranden en houtwallen, en verder open loof- en gemengd bos, bosranden en kapvlakten, tot in het naaldbos van de boreale zone en de bergen. Foerageert lopend op korte vegetatie naar regenwormen en insecten en schakelt in de winter volledig over op bessen, waardoor hij in bessenrijke struwelen en boomgaarden in grote troepen kan opduiken. In Europa belanden de dwaalgasten dan ook meestal in tuinen, boomgaarden en hagen met hulst, meidoorn, klimop of lijsterbes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van de boomgrens in Alaska en Canada zuidwaarts tot in Mexico, en is over dat hele gebied een van de talrijkste vogels van het werelddeel. De noordelijke vogels overwinteren in het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico; in het zuiden van het areaal is de soort standvogel. In Europa gaat het om ongeveer veertig gevallen in Groot-Brittannië en Ierland, met Cornwall, de Scilly-eilanden en Devon goed voor een derde daarvan, en verder gevallen op IJsland en de Azoren. Opvallend is de verdeling over het jaar: waar de meeste Amerikaanse zangvogels in oktober aankomen, ligt het zwaartepunt hier in december tot februari, wanneer een vogel die eerder ongezien is aangekomen zich in een tuin verraadt. Nederland heeft één aanvaard geval, op 27 april 2014 in het Noordhollands Duinreservaat bij Heemskerk.

Waar en wanneer kijken

Deze soort vind je zelden zelf; je gaat erheen. Houd in december en januari de zeldzaamhedenmeldingen in de gaten en reken erop dat de vogel dagen tot weken blijft, want een roodborstlijster die eenmaal een goede bessenstruik heeft gevonden verlaat die niet snel. Ter plaatse geldt de gewone tuinetiquette: blijf op de weg, laat de bewoners met rust en zoek de vogel bij het eerste licht, wanneer hij het hoogst in de struik zit. Wie hem zelf wil vinden, loopt in de eerste helft van november na een zware westerstorm de kustdorpen van Cornwall, Zuid-Ierland of de Scilly-eilanden af en let op het scherpe tuk-tuk-tuk uit een tuin met lijsterbes of hulst.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd en met een populatie van enkele honderden miljoenen een van de talrijkste vogels van Noord-Amerika; de aantallen zijn over de laatste vijftig jaar toegenomen. Dat is niet altijd zo geweest: in de jaren vijftig en zestig veroorzaakte het bespuiten van iepen met DDT tegen de iepziekte massale sterfte onder roodborstlijsters die de vergiftigde regenwormen aten, en juist die dode vogels op de gazons leverden het beeld voor Rachel Carsons Silent Spring. Sinds het verbod op DDT is de soort volledig hersteld; het West-Nijlvirus veroorzaakt lokaal sterfte zonder de trend te keren. Voor het gebied van deze gids is de roodborstlijster een dwaalgast en niets anders. Wel is voorzichtigheid geboden bij oude waarnemingen: rond 1909 zijn in Engeland roodborstlijsters uitgezet, en veel meldingen uit die jaren betreffen ontsnapte of losgelaten vogels. Moderne gevallen, met de juiste datum en het juiste weerbeeld, worden wel als wilde vogels aanvaard.