Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Kleine zwartkop
Kleine zwartkop | Curruca melanocephala
Sardinian warbler | Curruca cabecinegra
De kleine zwartkop is de luidruchtigste vogel van het mediterrane struweel: een kleine, langstaartige grasmus met een gitzwarte kap, een felrode oogring en een ratel die klinkt alsof er iemand kwaad met een stok tegen een hek slaat. In Spanje zit hij overal — in de macchia, in de heggen, in de olijfgaard en midden in het dorp.
Geluid
De roep hoor je eerder dan je de vogel ziet: een hard, ratelend, kwaad klinkend tsje-tsje-tsje-tsje-tsje, snel en op één toonhoogte, als een klein ratelend machientje of een stok langs een hek. Hij wordt de hele dag gegeven, het hele jaar door, en zodra je bij een struik komt begint hij. De zang is een korte, gehaaste strofe van twee tot vijf seconden: een snel, krassend en knarsend gebabbel waar telkens diezelfde ratel doorheen valt, met hier en daar een kort, schel fluittoontje ertussen. Hij zingt vanaf een struiktop of in een kort, dansend zangvluchtje boven het struweel, van februari tot in juni, en in het zuiden ook al in januari. Wie het geratel eenmaal kent, hoort in Spanje nauwelijks nog een struik zonder kleine zwartkop.
Opname: Tanguy Loïs — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Klein, slank en langstaartig, met een staart die vaak omhoog wordt gehouden of nerveus heen en weer wordt bewogen. Het mannetje heeft een glanzend zwarte kap die niet boven het oog stopt maar tot onder het oog en over de oorstreek doorloopt, waardoor het hele gezicht zwart is; daar tegenaan ligt een schoon witte keel die er scherp uit springt. Rond het oog zit een opvallende rode ring, met een roodbruine iris erin. De mantel is grijs, de onderdelen zijn wit tot lichtgrijs, de staart is zwart met witte buitenste staartpennen en de poten zijn oranjebruin tot roodachtig. Het vrouwtje mist het zwart: de kop is grijs tot grijsbruin, de mantel bruingrijs en de onderdelen zijn vaal crème, maar de rode oogring en de lichte poten blijven. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met een doffere oogring.
Verwarringssoorten
Voor Nederlandse ogen is de zwartkop de belangrijkste verwarringssoort, en de twee zijn met één blik te scheiden — zie ook de soortpagina van de zwartkop, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Bij de zwartkop stopt de zwarte pet netjes bóven het oog, is er geen oogring, is de keel grijs in plaats van schoon wit en is het geheel egaal grijsbruin; de zang is een rijke, fluitende slotpassage. Bij de kleine zwartkop loopt het zwart tot onder het oog door, ligt er een felrode ring om het oog, springt de witte keel eruit en bestaat de stem uit ratels en geratel, zonder één heldere fluittoon. Vrouwtjes zijn lastiger: een vrouwtjeszwartkop heeft een roodbruine pet met een scherpe grens, terwijl een vrouwtje kleine zwartkop een egaal grijze kop, een rode oogring en lichte poten heeft. Verder in het Middellandse Zeegebied zijn er drie buren om te controleren. De baardgrasmussen zijn kleiner en hebben een oranje tot baksteenrode keel en borst met een witte baardstreep. Ruppells grasmus, in Griekenland en Turkije, heeft bij het mannetje behalve de zwarte kop ook een zwarte keel met een witte baardstreep. En op Cyprus is er de cyprusgrasmus, waarvan het mannetje van keel tot buik zwart gevlekt is in plaats van schoon wit — zie zijn eigen pagina.
Leefgebied
Laag, dicht en doornig struweel: macchia en garrigue, kermeseik- en mastiekstruweel, brem- en cistusvelden, rambla's met oleander, heggen en houtwallen, tuinen, parken, kerkhoven en de verwilderde randen van dorpen en steden. Ook in olijf- en amandelgaarden met een dichte onderbegroeiing en in wijngaarden met heggen. Anders dan de orpheusgrasmussen wil hij juist het lage, ondoordringbare struweel en heeft hij geen hoge bomen nodig; hij komt van zeeniveau tot ongeveer 1.200 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Rond de hele Middellandse Zee: van Portugal en Spanje via Zuid-Frankrijk, Italië en de Balkan tot Griekenland, Turkije en de Levant, en aan de Noord-Afrikaanse kant van Marokko tot Egypte, met een eigen ondersoort op de Canarische Eilanden. Het is een standvogel die zich buiten de broedtijd nauwelijks verplaatst. In het noorden breidt hij zijn areaal al decennia uit: hij heeft Zuid-Frankrijk gevuld en broedt inmiddels tot in Catalonië, de Provence en Noord-Italië. In Nederland is hij een uitzonderlijke dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Spanje het hele jaar door, maar het makkelijkst in maart en april, wanneer de mannetjes zingen. Blijf staan bij een dichte struik en wacht: de ratel komt vanzelf, en even later komt de vogel met opgezette staart bovenop de struik kijken wie daar loopt. Dat korte moment is genoeg — zoek de rode oogring en kijk of het zwart onder het oog doorloopt. Wie vanuit Nederland komt doet er goed aan de eerste dag bewust naast elkaar te zetten: eerst een zingende zwartkop in het bos, dan een ratelende kleine zwartkop in het struweel.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en een van de talrijkste zangvogels van het Middellandse Zeegebied, met een populatie die in vrijwel het hele areaal stabiel is of toeneemt. De soort profiteert van het dichtgroeien van verlaten akkers en weiden en breidt zich met de zachter wordende winters noordwaarts uit. Plaatselijk kosten grote branden, het rooien van heggen en het schoonmaken van olijfgaarden broedgelegenheid, en op Cyprus is de opmars van de kleine zwartkop juist een probleem voor de veel zeldzamere cyprusgrasmus.




