Alle soortenZangvogelsGrasmussen › Cyprusgrasmus

Cyprusgrasmus | Curruca melanothorax

Cyprus warbler | Curruca chipriota

De cyprusgrasmus broedt nergens anders dan op Cyprus en is daarmee de enige vogel die je voor deze soort naar dat ene eiland moet. Het mannetje is een kleine zwartkop met een gespikkelde onderkant: van de kin tot de buik ligt er een zwarte spikkeling op wit. Sinds de kleine zwartkop het eiland in de jaren negentig heeft gekoloniseerd, deelt hij zijn struweel met een nieuwe buur.

Cyprusgrasmus (Curruca melanothorax)
Foto: Jan Ebr & Ivana Ebrová — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een korte, droge, houterige strofe van twee tot vier seconden: een hakkelend, onregelmatig geknarst en getjilp waar bijna geen heldere fluittoon in zit, langzamer en veel eentoniger dan de haastige ratelbabbel van de kleine zwartkop, alsof iemand met een stokje over een kam schraapt en er af en toe een korte piep tussendoor laat vallen. Hij zingt vanaf een uitstekende twijg bovenop een lage struik, en in maart en april vaak ook in een kort, klapperend zangvluchtje. De roep is een hard, droog tsjek, en bij onrust een ratelend tsjrrr dat kort en houterig blijft. Naast een kleine zwartkop is het verschil in stem het bruikbaarst: de kleine zwartkop klinkt snel en boos, de cyprusgrasmus traag en stroef.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein en compact, met een lange, vaak omhooggehouden staart. Het mannetje heeft een zwarte kop die tot onder het oog doorloopt, een smalle witte baardstreep langs de keelzijde en — het beslissende kenmerk — een onderzijde die van de keel tot ver op de buik en de flanken zwart gespikkeld en geschubd is op een witte grond. Rond het oog ligt een oranjerode tot roodbruine ring. De mantel is donkergrijs, de vleugel toont smalle witte randen aan de tertials en de grote dekveren, en de staart is donker met witte buitenste staartpennen; de poten zijn bruinrood. Het vrouwtje is grijzer en veel valer, met een grijsbruine kop en een spikkeling die tot de keel en de bovenborst beperkt blijft. Jonge vogels zijn het valst en kunnen bijna ongevlekt zijn, maar houden de witte tertialrandjes.

Verwarrings­soorten

De kleine zwartkop is de enige echte verwarringssoort en tegenwoordig ook de buurman in hetzelfde struweel — zie ook zijn eigen soortpagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Bij de kleine zwartkop is de onderzijde schoon wit tot lichtgrijs zonder één vlek, is de oogring feller rood, is de vleugel egaal grijs zonder witte tertialrandjes, en is de zang een snelle, krassende babbel met ratels erdoorheen. Bij de cyprusgrasmus liggen zwarte spikkels over keel, borst en flanken, is de oogring oranjerood, staan er smalle witte randjes op de tertials en de dekveren, en is de zang droog, houterig en veel eentoniger. Vrouwtjes zijn lastiger dan mannetjes: een vrouwtje cyprusgrasmus is grijzer dan een vrouwtje kleine zwartkop en heeft altijd nog spikkels op de keel, terwijl een vrouwtje kleine zwartkop daar egaal vaalwit is. Ruppells grasmus, die op doortrek langskomt, heeft bij het mannetje een egaal zwarte keel met een brede witte baardstreep, dus zwart in plaats van gespikkeld. Ménétriés' zwartkop, ook een doortrekker, is bleker, heeft een matter zwarte kop en beweegt zijn staart voortdurend op en neer.

Leefgebied

Open, laag en stenig struweel op de kalkhellingen van Cyprus: garrigue en phrygana met cistus, tijm en dwergstruiken, lage macchia met mastiek en kermeseik, verlaten terrassen, wijngaarden en amandelgaarden met struikranden. Hij zit van zeeniveau tot in de uitlopers van het Troodos-gebergte en houdt het van oudsher bij het schralere, opener en hoger gelegen struweel, terwijl de kleine zwartkop sinds haar komst vooral het dichtere, lagere en vochtiger struweel bezet. In de winter zitten de vogels die het eiland verlaten in wadi's met acacia en tamarisk.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt uitsluitend op Cyprus. Een deel van de vogels blijft de winter door op het eiland, de rest trekt naar het zuidoosten en overwintert in de wadi's van Israël, Jordanië en de Sinaï — allemaal nog binnen dit kaartgebied, zodat het hele areaal van de soort er vrijwel in past. Buiten dat gebied is de cyprusgrasmus een zeldzaamheid, met enkele gevallen in Libanon, Egypte en Griekenland. In Noordwest-Europa is hij nooit vastgesteld.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Maart en april, op het schiereiland Akamas, bij Kaap Greco of op de zuidelijke uitlopers van het Troodos-gebergte, in de eerste uren na zonsopgang. Loop een hellingpad met lage cistus- en tijmstruiken en wacht op de droge, houterige strofe; het mannetje zingt dan goed in het zicht op een twijgje. Kijk als eerste naar de onderzijde: zwarte spikkels op wit is de cyprusgrasmus, schoon wit is de kleine zwartkop. Controleer daarna nog de vleugel op de smalle witte tertialrandjes, want een fel zingend vrouwtje kan op het eerste gezicht bedriegen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd nog als niet bedreigd beoordeeld, maar met een klein areaal en zorgen die daar niet bij passen. Sinds de kleine zwartkop zich in de jaren negentig op Cyprus heeft gevestigd en zich over het eiland heeft verspreid, is de cyprusgrasmus in het westen van Cyprus over een reeks jaren duidelijk in aantal teruggelopen, vooral in het lagere, dichtere struweel dat de nieuwkomer inneemt. Daar komt de grootschalige, illegale vangst van zangvogels met lijmstokken en mistnetten bij, die op Cyprus jaarlijks miljoenen vogels kost, en het verdwijnen van kleinschalig beheerde amandelgaarden en terrassen. Voor een soort die op één eiland broedt telt elk van die drukken zwaar.