Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Levaillants specht

Levaillants specht | Picus vaillantii

Levaillant's woodpecker | Pito bereber

De groene specht van het Atlasgebergte: een grote, olijfgroene specht die net als zijn Europese naamgenoot vooral op de grond naar mieren zoekt. Hij komt alleen in Marokko, Algerije en Tunesië voor, en zijn lach klinkt van de kurkeikenbossen bij de kust tot in de cederbossen aan de boomgrens.

Levaillants specht (Picus vaillantii)
Foto: Francesco Veronesi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, doorlopende lach — in de oudere literatuur weergegeven als ploe-ploe-ploe — die sterk aan de groene specht doet denken, maar iets sneller en droger klinkt. Het hele jaar te horen en het luidst van februari tot mei, wanneer de vogels vanaf een dode tak roepen. In de vlucht een kort, hard kjuk.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Groot en zwaargebouwd, olijfgroen van boven met een geelgroene stuit die bij het wegvliegen oplicht, en vuilwitte tot grijsgroene onderdelen met fijne donkere bandering op flanken en onderstaartdekveren. Het gezicht is egaal grijs: er staat geen zwart masker rond het lichte oog en ook de teugel is ongetekend. De zwarte baardstreep loopt van de snavelbasis omlaag en is aan de bovenkant licht afgezet. Het mannetje heeft de kruin geheel rood, van het voorhoofd tot in de nek; het wijfje een grijze kruin met rood alleen in de nek. Zware, diep golvende vlucht, meestal laag van boom naar boom.

Verwarrings­soorten

In de Maghreb komt geen tweede groene specht voor, dus in het veld is verwarring uitgesloten; het onderscheid telt bij foto's en bij claims van dwaalgasten. De sleutel zit in de baardstreep: bij Levaillants specht is die bij beide geslachten geheel zwart, terwijl het mannetje van de groene specht daar rood draagt in een brede zwarte omlijsting en het mannetje van de Iberische groene specht een vrijwel geheel rode baardstreep heeft. Daarna komt de kruin: alleen bij deze soort is die bij het wijfje grijs, met rood beperkt tot de nek. Van de drie lijkt de Iberische vogel aan de overkant van de Straat het meest op hem, want ook die heeft een grijs gezicht zonder zwart masker.

Leefgebied

Berg- en heuvelbossen van de Rif en de Atlas: kurkeik, steeneik en zeeneik, Atlasceder, aleppoden en jeneverbes, van de kustheuvels tot aan de boomgrens rond 2000 meter. Ook in arganebos, oude olijfgaarden, boomweiden en beboste rivierdalen. Overal moet kort gras, kale grond of een mierenbult binnen bereik liggen: net als de groene specht haalt hij het grootste deel van zijn voedsel van de bodem, met een lange, kleverige tong die hij razendsnel in een mierennest schiet. De nestholte hakt hij in een oude, zachte stam.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Alleen Noordwest-Afrika: Marokko van de Rif en de Middenatlas tot de Hoge Atlas en de rand van de Antiatlas, Noord-Algerije van de Kabylie tot de Aurès, en Noordwest-Tunesië, met het park El Feija als bekendste plek. Hij is de enige groene specht van Afrika, en de Straat van Gibraltar heeft hij nooit overgestoken; in Spanje en Nederland komt hij niet voor. Standvogel, die in de winter hooguit van de hoogste bossen naar lager gelegen dalen zakt.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Oukaïmeden en de cederbossen van Ifrane en Azrou in Marokko zijn de klassieke plekken, en maart en april geven de grootste kans: dan lachen en roffelen de vogels. Loop langs de rand van een cederbos of een oude kurkeikenweide, luister eerst, en scan daarna de open grasplekken tussen de stammen — je vindt hem vaker op de grond dan in een boom. In Tunesië is het nationale park El Feija de beste plek.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over de Maghreb nog wijdverbreid, maar de kwaliteit van zijn bossen loopt terug. Het kappen en dunnen van oude bomen, het weghalen van dood hout, overbegrazing van de ondergroei en de sterfte van Atlasceders in het Midden-Atlasgebergte na jaren van droogte kosten hem nestbomen en mierenrijke bodems. Waar oude bomen blijven staan houdt hij goed stand, ook in beweid bos vlak bij dorpen.