Alle soortenZangvogelsGoudhaantjes › Madeiragoudhaan

Madeiragoudhaan | Regulus madeirensis

Madeira firecrest | Reyezuelo de Madeira

Het kleinste vogeltje van Madeira, en het enige goudhaantje dat het eiland heeft: op Madeira valt er niets mee te verwarren, want geen andere Regulus komt er voor. Op papier ligt dat anders. Tot 2003 werd hij als een vorm van het vuurgoudhaantje beschreven; sindsdien wordt hij als aparte soort behandeld, op grond van verschillen in zang en in de kop. Wie hem in het laurierbos van Ribeiro Frio ziet, ziet meteen dat er iets anders aan is — donkerder, doffer en met een langere snavel — maar het duurt even voordat je kunt zeggen wát.

Madeiragoudhaan (Regulus madeirensis)
Foto: Donald Davesne — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Hier ligt het echte onderscheid met het vuurgoudhaantje, en het is groot genoeg om er in het veld op te varen. Het vuurgoudhaantje zingt één egale reeks gelijke, ijle tonen die geleidelijk versnelt en luider wordt en dan abrupt afbreekt, zonder slotfiguur. De Madeiragoudhaan doet dat niet: zijn zang bestaat uit korte, wisselende strofen waarin de tonen in toonhoogte op en neer gaan, met een duidelijk ritme erin, en de strofe eindigt niet plotseling maar loopt uit op een ratelend, wat rommelig slot. Het geheel klinkt daardoor voller, lager en gevarieerder — meer als een klein, haastig zangertje dan als het ijle wegvegen van een vasteland-goudhaantje. De roep is een hoog zit in reeksjes van twee tot vier, iets voller en lager dan bij het vuurgoudhaantje en met meer nadruk op elke toon. Ook hier geldt de waarschuwing die bij alle goudhaantjes hoort: het geluid ligt zo hoog dat menig waarnemer boven de vijftig er alleen nog het naaste van hoort, en boven de zestig soms niets meer. Neem in het laurierbos liever op dan dat u op uw oren vertrouwt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Bolrond, kortstaartig en met een grote kop, zoals alle goudhaantjes, maar met een naar verhouding lange en fijne snavel die de kop een spitser profiel geeft. Over de kruin loopt een oranje tot roodoranje streep bij het mannetje en een geeloranje bij het vrouwtje, aan weerszijden zwart omzoomd; die zwarte randen zijn breed en lopen tot ver achterop de kruin door, zodat de bovenkant van de kop van opzij donker oogt. Daaronder een korte, grijswitte wenkbrauwstreep die vlak achter het oog al ophoudt, en daaronder een brede zwarte oogstreep die ook vóór het oog stevig zwart blijft. De bovendelen zijn donker olijfgroen, de onderdelen grijzig wit met een vuilbeige waas op de flanken. Op de zijhals ligt hooguit een zweem van brons. Twee lichte vleugelstreepjes, met daaronder het zwarte vlekje aan de basis van de armpennen dat alle goudhaantjes hebben. Jonge vogels missen de kruinkleur; het brede zwart om de kruin en de zware oogstreep zijn dan al aanwezig.

Verwarrings­soorten

Op Madeira zelf is er niets om mee te verwarren: het goudhaantje en het vuurgoudhaantje ontbreken er allebei, en dit is het enige goudhaantje van de archipel. Het probleem is dan ook geen veldprobleem maar een boekprobleem, en het gaat om de vergelijking met het vuurgoudhaantje, dat u van het vasteland kent — zie ook zijn eigen soortpagina, waar de tekening van kop en schouder van de andere kant is beschreven. Vier dingen wijzen naar Madeira. De wenkbrauwstreep is korter en vuiler: hij houdt vlak achter het oog op in plaats van er ver achter door te lopen, en hij is grijswit in plaats van zuiver wit. De oogstreep is breder en blijft ook tussen snavel en oog dik zwart, waardoor het gezicht donkerder en strenger oogt in plaats van scherp gestreept. De zwarte randen langs de kruin zijn breder en lopen verder naar achteren door. En de snavel is duidelijk langer en fijner — het enige kenmerk dat op een foto van een enkele vogel houvast geeft, en de reden dat u bij twijfel altijd om een profielopname moet vragen. Daarbij komt dat het brons op de zijhals, bij het vuurgoudhaantje juist een van de betere kenmerken, hier vrijwel ontbreekt, en dat de hele vogel donkerder groen van boven en grijzer van onder is. Beslissend is echter de zang, en die is hieronder beschreven. Op het eiland zelf zit alleen de tjiftjaf in de weg, en dan uitsluitend voor wie op formaat afgaat: die is een derde groter, langgerekt, effen olijfbruin en heeft een lange staart die hij voortdurend laat zakken.

Leefgebied

De kern is de laurisilva: het vochtige, altijdgroene laurierbos van de noordhelling en de ravijnen, met til, vinhático, laurel en barbusano, dicht en mossig en vrijwel het hele jaar in de wolken. Daar zit hij van ongeveer zeshonderd tot zestienhonderd meter, met de hoogste dichtheden in het gesloten oude bos. Daarnaast bewoont hij de boomheide van de hogere hellingen, waar Erica arborea en Erica platycodon tot kleine kromme boompjes uitgroeien, en verder de aanplant van Japanse ceder, den en eucalyptus, waar hij duidelijk dunner zit maar wel voorkomt. In de tuinen en parken van Funchal en langs de levada's is hij eveneens te vinden, tot laag boven zee. Het nest is hetzelfde hangende kommetje van mos, korstmos en spinrag dat alle goudhaantjes maken, opgehangen onder een tak of in een dichte varen- of heidepluim.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Alleen het hoofdeiland Madeira, en verder nergens ter wereld. Op Porto Santo en op de Desertas ontbreekt hij, en op de Azoren en de Canarische Eilanden komt hij niet voor; het volledige areaal van de soort past dus binnen één eiland van amper zevenhonderdveertig vierkante kilometer. Binnen dat eiland is hij algemeen en wijdverbreid: hij bewoont vrijwel elk stuk gesloten bos of hoog struweel, van de laurierbossen van het noorden en het centrale bergland tot de heidegordel op de kammen en de beplante hellingen daaromheen. Hij is standvogel en verlaat het eiland niet; er is geen enkele wilde vogel buiten Madeira vastgesteld. Wel verschuiven de vogels in de winter iets lager de ravijnen in, wat de kans op een goede waarneming langs een levada in die maanden vergroot.

MadeiraMadeiraDesertasPorto Santo
  • Jaarrond
Kaartje van de archipel zelf: op de Europakaart zou deze vogel een stipje aan de rand zijn, en juist bij eilandsoorten gaat het om de vraag op wélke eilanden hij zit. De eilanden waar hij ontbreekt staan er grijs bij. Verspreiding per eiland volgens de standaardwerken; eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga naar het laurierbos en niet naar de kust. De klassieke plekken zijn Ribeiro Frio met het pad naar Balcões, de Levada do Caldeirão Verde vanaf Queimadas, het bos van Fanal en de omgeving van Rabaçal; op alle vier is de soort in een ochtend te vinden. Loop langzaam en luister eerst: het ijle zit hoort u bijna altijd voordat u de vogel ziet, en de ratelende strofe erachteraan bevestigt de determinatie zonder dat er een verrekijker aan te pas komt. Zoek daarna de buitenste twijgen af, niet de stam, want hij foerageert in het uiterste blad en hangt daarbij vaak ondersteboven. Vroeg op de ochtend, met wolken over het bos, is verreweg het gemakkelijkst; hij is opvallend weinig schuw en laat zich vaak tot op twee of drie meter bekijken, wat de kans geeft om die lange snavel eens rustig te zien.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, en op het eiland zelf algemeen: de aantallen zijn stabiel en de soort bezet vrijwel al het geschikte bos. Toch is dit een soort met één eiland en geen tweede: alles wat het bos van Madeira treft, treft de hele wereldpopulatie tegelijk. De grote bosbranden van 2010 en 2016 hebben daar een scherp licht op geworpen; ze raakten vooral aanplant en heidegordel, maar ze lieten zien hoe snel het kan gaan. Daarnaast staat de laurisilva onder druk van uitheemse planten, van de aanplant van eucalyptus en Japanse ceder rond de bosrand, en van de betreding van de meest bezochte levada-paden. Het beschermde areaal is groot — het grootste deel van het laurierbos valt binnen het natuurpark en staat op de werelderfgoedlijst — en dat is de belangrijkste reden dat de soort er goed voor staat.