Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Monnikstapuit
Monnikstapuit | Oenanthe monacha
Hooded wheatear | Collalba monje
De monnikstapuit gedraagt zich niet als een tapuit. Hij staat niet rechtop op een kluit in kaal terrein, maar zit halverwege een rotswand en haalt zijn insecten uit de lucht, in lange zwenkende uitvallen die hem tientallen meters van zijn post brengen en dan weer terugvoeren. In het kaartgebied leeft hij alleen in de hete kloven rond de Golf van Aqaba, de Arava en de Dode Zee, en overal is hij dun gezaaid.
Geluid
Een zwijgzame vogel; wie hem zoekt werkt op zicht en niet op geluid. De zang wordt zelden gehoord en is zacht en aarzelend: een haastig gebabbel van krassende en piepende tonen met er tussendoor een paar heldere fluitjes, meestal vanaf een richel of in een korte vlucht langs de wand, en vooral in de vroege ochtend van maart tot mei. De roep is een dun, opgaand hwiet en een zacht tikkend tsjek, veel minder hard dan de kiezeltik van de tapuit en op enige afstand nauwelijks te horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Grote, slanke tapuit met een opvallend lange staart en een lange, zware zwarte snavel. Het mannetje heeft een pikzwarte kop, keel en bovenborst, die zonder onderbreking overgaan in een zwarte mantel en zwarte vleugels, en daarop ligt een zuiver witte kruin als een kap; alles vanaf de onderborst is helderwit. Het staartpatroon beslist: de staart is grotendeels wit, met zwart dat beperkt blijft tot het middelste pennenpaar, en een doorlopende zwarte eindband ontbreekt volledig. Bij het opvliegen zie je dus een lange witte staart met een zwarte middenstreep, niet de omgekeerde T die de meeste tapuiten laten zien. Het vrouwtje is een heel andere verschijning: egaal bleek zandgrijs van boven en roomwit tot licht okerkleurig van onder, zonder masker, zonder wenkbrauwstreep en zonder enig contrast, maar met precies dezelfde slanke bouw, dezelfde lange snavel, dezelfde lange staart en hetzelfde staartpatroon in gedempte grijsbruine tinten. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Kijk eerst naar de staart en pas daarna naar de rest. Van alle zwart-witte tapuiten van de Levant en de Sinaï is de monnikstapuit een van de twee zonder zwarte eindband; de andere is de witkruintapuit. Die twee scheidt u aan de onderdelen: de witkruintapuit is van keel tot onderstaartdekveren geheel zwart, de monnikstapuit is vanaf de onderborst wit. De witkruintapuit is bovendien forser en korter van staart, en zijn snavel is aanmerkelijk korter. Bonte tapuit en Finsch' tapuit hebben dezelfde combinatie van witte kruin, zwarte keel en zwarte mantel, maar bij allebei sluit een brede zwarte band de staart over de volle breedte af. Hetzelfde geldt voor de rouwtapuit van de woestijnkloven, die daarbij oranjebeige onderstaartdekveren heeft. Bij het vrouwtje en bij jonge vogels helpt het verenkleed nauwelijks en beslissen bouw en gedrag: de lange snavel, de lange staart, het volstrekt egale bleke kleed zonder wenkbrauwstreep, en het jagen in de lucht vanaf een rotswand in plaats van vanaf een steen naar de grond. Vrouwtjes van tapuit en izabeltapuit staan op open grond, zijn korter van staart en snavel en tonen altijd de brede zwarte eindband.
Leefgebied
Verticaal woestijnland: steile wadi's met rotswanden, nauwe kloven, erosiegeulen en puinhellingen, en de graniet- en zandsteenmassieven van de Rode Zee-bergen. Een vlakte zonder wand is voor hem leeg — hij heeft een rotswand nodig om vanaf te jagen en spleten en holtes in die wand om in te nestelen. Van ruim tweehonderd meter onder zeeniveau bij de Dode Zee tot ongeveer duizend meter. Buiten de broedtijd komt hij ook rond woestijnnederzettingen, dadeltuinen en de groene hotelranden van Eilat en de Arava.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In het kaartgebied blijft hij beperkt tot de zuidoostelijke rand: de Negev, de Arava en de bergen achter Eilat in Israël, de kloven van Wadi Rum, Dana en Petra in Jordanië, en de Sinaï en de Oostelijke Woestijn in Egypte. Daarbuiten loopt zijn areaal door over het Arabisch Schiereiland en Iran naar Afghanistan en Pakistan. Hij is standvogel maar zwerft buiten de broedtijd over grotere afstanden; in Israël wordt hij in alle twaalf maanden gezien, met de meeste meldingen in de winter en het vroege voorjaar, wanneer er ook de meeste waarnemers zijn. Nergens broedt hij dicht: een enkel paar per wadi is normaal. Naar Turkije, Cyprus en Griekenland komt hij hoogst zelden als dwaalgast.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
December tot maart in de bergen achter Eilat: Amrams Zuilen, het Timnadal en Nahal Shlomo. Rijd of loop een wadi in tot de wanden aan weerszijden hoog worden, ga stilstaan en kijk omhóóg — niet naar de grond, want daar zit hij niet. Zoek een zwart-witte vogel die van een richel wegduikt, een insect uit de lucht pakt en in een boog terugkeert; die lange, lichte staart en het tuimelende, bijna vlindervormige vlieggedrag verraden hem al voordat het verenkleed te zien is. In Jordanië werkt Wadi Rum in de vroege ochtend even goed.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. De soort heeft een enorm maar dun bevolkt areaal en er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang; er zijn ook geen goede aantalsschattingen, want in de woestijnbergen wordt weinig geteld. Wat er aan druk is, is plaatselijk: de aanleg van wegen en groeven in wadi's, toegenomen recreatie in de bekendste kloven, en de verstoring die daarbij hoort in het broedseizoen. Aan de rand van het areaal, in Israël en Jordanië, gaat het om enkele honderden paren, en dat maakt lokale verliezen zwaarder dan de wereldwijde beoordeling suggereert.



