Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Provençaalse grasmus
Provençaalse grasmus | Curruca undata
Dartford warbler | Curruca rabilarga
De Provençaalse grasmus is de donkere, langstaartige grasmus van heide en mediterraan struweel: een klein, kribbig vogeltje met wijnrode onderdelen en een vuurrode oogring, dat met de staart schuin omhoog even boven op een gaspeldoornstruik verschijnt en er meteen weer in wegduikt. Hij is de enige grasmus die in Noordwest-Europa de winter uitzit, en dat maakt hem tegelijk het kwetsbaarst.
Geluid
De zang is een kort, haastig, krassend babbeltje van anderhalve tot twee seconden, hoger en ijler dan dat van de grasmus en met een duidelijk ratelend randje: tsjer-witsjer-tsji-tsjerrie, vaak twee of drie keer achter elkaar met korte pauzes. Hij wordt gegeven vanaf de top van een gaspeldoorn- of cistusstruik, en op mooie voorjaarsochtenden ook in een korte, dansende zangvlucht waarbij de vogel met de staart wijd open een paar meter boven het struweel klimt en zingend weer terugvalt. Kenmerkender nog is de roep: een raspend, uitgerekt tsjeerr, alsof je een reepje stof scheurt, vaak eindeloos herhaald door een verontruste vogel, en daarnaast een kort, hard tuk. Wie de raspende roep kent, vindt de soort veel vaker dan wie op de zang wacht, want buiten het voorjaar zingt hij nauwelijks.
Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto
Herkenning
Klein, donker en langgerekt, met een smalle staart die vaak schuin omhoog staat en de vogel een hoekig, opgewonden silhouet geeft. Kop en bovendelen zijn donker leigrijs, de onderdelen wijnrood tot roodbruin, met fijne witte spikkeltjes op de keel die bij een zingend mannetje op korte afstand goed te zien zijn. Oogring en iris zijn rood tot oranjerood, de poten oranjebruin, de snavel donker met een lichte basis. De vleugel is kort en rond en oogt bruiner dan de rug; de staart is zwartachtig met smalle witte punten aan de buitenste pennen. Het vrouwtje is bruiner van boven en veel valer roze-bruin van onderen, jonge vogels zijn grauw en missen het rood bijna helemaal. In vlucht valt vooral de vorm op: een donker vogeltje met een veel te lange staart dat laag en fladderend van struik naar struik gaat.
Verwarringssoorten
Binnen het lastige trio donkere struweelgrasmussen is de Provençaalse grasmus de enige met echt wijnrode onderdelen; de Sardijnse grasmus is van boven én van onderen gelijkmatig leigrijs zonder enige warme tint, en de Balearengrasmus is het bleekst van de drie, met een witte buik en hooguit een roze waas op de borst. Op beide soortpagina's staat hetzelfde verschil vanaf de andere kant beschreven. In de praktijk beslist de plaats: de Provençaalse grasmus is de vogel van Zuid-Engeland, Frankrijk, Iberië, Italië en Noordwest-Afrika, de Sardijnse die van Corsica, Sardinië en de Toscaanse eilandjes, de Balearengrasmus die van Mallorca, Ibiza, Formentera en Cabrera. Alleen in de Noord-Afrikaanse winterkwartieren kunnen ze naast elkaar zitten, en dan moet het van kleur en van de roep komen. De kleine zwartkop, overal in hetzelfde struweel, is forser, heeft een zwarte kap met een scherp afgesneden, zuiver witte keel en een veel luidruchtiger ratel. De baardgrasmus is kleiner, korter van staart en heeft een oranje keel met een witte baardstreep.
Leefgebied
Laag, dicht en doornig struweel op arme, zonnige grond. In Zuid-Engeland en West-Frankrijk is dat echte heide: struikhei en gaspeldoorn, het liefst met wat oude, hoge gaspeldoornbulten waarin hij kan schuilen. Verder naar het zuiden neemt het mediterrane struweel het over: cistusvelden, brem- en brembraamhellingen, garrigue met rozemarijn en tijm en lage maquis, en in Noordwest-Afrika struweel op berghellingen. Hij mijdt bos en hoge bomen, wil struiken tussen een halve en anderhalve meter hoog en verdwijnt zodra de struiklaag te dicht en te hoog wordt of juist wordt weggebrand. Het nest staat laag in hei, gaspeldoorn of cistus.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Zuidwest-Europa en Noordwest-Afrika: van de heidevelden van Dorset, Hampshire en Surrey door West- en Zuid-Frankrijk over het hele Iberisch Schiereiland tot Ligurië en Toscane, en aan de overkant in Marokko, Algerije en Tunesië. Het is een standvogel die hooguit korte afstanden aflegt; het hele areaal ligt binnen het kaartgebied. In Groot-Brittannië, aan de noordrand van dat areaal, bepaalt de winter alles: na de ijswinter van 1962 en 1963 waren er nog ongeveer tien paren over, in de landelijke telling van 2006 ruim drieduizend territoria, en de telling van 2025 lag daar weer ongeveer een kwart boven. Verreweg de meeste vogels broeden echter in Spanje en Portugal, waar de soort al sinds de jaren negentig duidelijk afneemt. In Nederland zijn slechts enkele gevallen aanvaard.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Maart en april, in het eerste uur na zonsopgang, op een heideveld met bloeiende gaspeldoorn of in een cistusveld op een zuidhelling. Ga op een hoog punt staan en scan de struiktoppen; hij zingt kort en laat zich telkens maar een paar seconden zien. Loop niet het struweel in maar volg een pad langs de rand en wacht op het raspende alarm — dat verraadt hem ook op stille winterdagen, wanneer hij zwijgt maar wel reageert op wandelaars. Bij harde wind blijft hij hardnekkig binnen de struik en heb je weinig kans; kies liever een windstille, zonnige ochtend.
Staat van instandhouding
Gevoelig, en dat is voor een vogel met zo'n groot areaal opvallend. De reden ligt in Spanje en Portugal, waar het merendeel van de wereldpopulatie broedt en waar de aantallen al decennia dalen: struweel verdwijnt onder bebossing met dennen en eucalyptus, wordt weggebrand of juist opgeruimd voor akkers en weiden, en grote branden vagen in één zomer hele hellingen leeg. Aan de noordrand van het areaal zorgen strenge winters bovendien voor plotselinge instortingen, waarna herstel jaren duurt. Waar oude heide en gevarieerd cistusstruweel blijven staan en niet in één keer worden geklepeld of afgebrand, houdt de soort zich prima.



