Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodkeelnachtegaal
Roodkeelnachtegaal | Calliope calliope
Siberian rubythroat | Ruiseñor calíope
De roodkeelnachtegaal is een Siberische zanger die het formaat en de houding van een nachtegaal combineert met een keel als een gloeiend kooltje. Hij broedt van de Oeral tot Kamtsjatka en Japan en overwintert in Zuidoost-Azië; in het kaartgebied is hij een grote zeldzaamheid, met een handvol gevallen op de Noordzee-eilanden en langs de Atlantische kust.
Geluid
De zang is een lang, borrelend en zeer gevarieerd stroompje van heldere, luide tonen, ratels en fluitjes, met veel imitaties van andere soorten ertussen; in volume komt hij dicht bij de nachtegaal, maar hij mist de stiltes en klinkt daardoor doorlopender. Gezongen wordt er vanaf een struiktop of een dode tak, vaak lang na zonsondergang. In West-Europa hoor je vrijwel altijd alleen de roep, en die is het beste kenmerk: een luid, tweelettergrepig, oplopend huu-iet dat aan een fluitende mens doet denken, en een dieper, krakend tsjak of tsjek als alarm.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets kleiner en compacter dan een nachtegaal, met lange poten, een vaak opgewipte staart en een rechtopstaande, tapuitachtige houding op de grond. Bovendelen egaal olijfbruin, staart en vleugels zonder tekening. Het mannetje heeft een felrode keel, scherp omlijst door een zwarte teugel, een brede witte wenkbrauwstreep en een witte baardstreep; borst en flanken zijn grijsbruin, de buik vuilwit. Het vrouwtje mist het rood — of toont hooguit een roze waas — maar houdt het kenmerkende koppatroon van lichte wenkbrauw en lichte baardstreep, met een vage donkere borstband. Eerstejaars vogels in het najaar, precies de vogels die in West-Europa opduiken, zijn meestal bruin en getekend als het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Op het koppatroon is er nauwelijks iets anders: geen andere zanger in het gebied heeft die combinatie van witte wenkbrauw, witte baardstreep en donkere teugel op een egaal olijfbruine vogel. Nachtegaal en noordse nachtegaal zijn groter, langer van staart en missen elk kopstreepje. Het vrouwtje blauwborst heeft een roestrode staartbasis met donkere eindband, wat de roodkeelnachtegaal juist niet heeft — zijn staart is egaal bruin. Een mannetje roodkeelnachtegaal en een roodgesterd mannetje blauwborst worden op een slechte foto weleens door elkaar gehaald, maar bij de blauwborst zit het rood midden in een blauw schild en bij de roodkeelnachtegaal beslaat het de hele keel. Let bij elke waarneming ook op de herkomst: de soort is in Azië een veelgehouden kooivogel, en een vogel met beschadigde staartpennen, sleet aan de snavelbasis of een ring van onbekende makelij verdient argwaan.
Leefgebied
Broedt in de taiga: vochtige struwelen in open naald- en gemengd bos, wilgen- en berkenopslag langs beken, verruigde kapvlakten en moerasranden, en hoger in het gebergte het subalpiene struweel tot boven de boomgrens. Overal draait het om een dichte, lage struiklaag boven vochtige grond waarin hij scharrelend foerageert. In de winterkwartieren zit hij in ruigte, rietkragen, tuinen en secundair struikgewas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de westflank van de Oeral — net buiten het kaartgebied — oostwaarts door heel Siberië tot Kamtsjatka, Sachalin en Hokkaido, en zuidwaarts tot in de bergen van Centraal-China. Overwintert in Zuidoost-Azië, van India en Bangladesh tot Zuid-China, Thailand en de Filipijnen. Naar het westen is hij een uitgesproken dwaalgast: enkele tientallen gevallen voor heel Europa, met een sterk overwicht op Shetland, Fair Isle, Helgoland en de Nederlandse en Belgische kust, vrijwel allemaal in oktober. In Nederland zijn er slechts enkele aanvaarde gevallen.
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op dat je hem in het kaartgebied vindt; wie de soort wil zien reist naar Siberië of naar een Aziatisch winterkwartier, waar hij in ruigte en rietkragen gewoon is. Duikt er toch een op aan de Noordzeekust, dan is de aanpak die van elke skulker uit het oosten: zoek hem laag in de dichtste duindoorn of vlierstruik, blijf op afstand en wacht tot hij zelf naar de rand komt om te foerageren. Een vogel die het struweel in gejaagd wordt, is voor de rest van de dag weg. Meld twijfelgevallen altijd met foto's van kop én staart.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een enorm areaal en een bevolking die als stabiel wordt beschouwd. Plaatselijk drukt de vangst voor de kooivogelhandel wel op de aantallen, vooral in China; die handel is ook de reden dat een enkele westerse waarneming met terughoudendheid wordt beoordeeld. Voor het kaartgebied heeft de soort geen eigen beheeropgave: hij is en blijft een gast.



