Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Palestijnse honingzuiger
Palestijnse honingzuiger | Cinnyris osea
Palestine sunbird | Suimanga palestino
Met deze soort komt er een hele familie bij die verder nergens in dit boek voorkomt: de honingzuigers, vogels van Afrika en Zuid-Azië met een lange gebogen snavel en een buisvormige tong, gemaakt om nectar uit bloemen te halen. De Palestijnse honingzuiger is de enige die het kaartgebied haalt, en hij haalt het met gemak: in de tuinen van Jeruzalem, Amman en Beiroet is hij een gewone vogel. Het mannetje is bij slecht licht gewoon een klein zwart vogeltje; draait hij in de zon, dan slaat er groen, blauw en violet metaal overheen, en bij balts klapt hij twee felle oranjegele pluimen uit zijn borstzijden.
Geluid
Luid, scherp en metalig, en voor zo'n klein vogeltje verrassend opdringerig — in een tuin in Jeruzalem hoort u hem de hele dag. De gewone roep is een kort, hard tsjip of tsjit-tsjit met een blikkerige klank, dat in reeksen wordt afgevuurd zodra de vogel opgewonden raakt. De zang is een snelle, hoge en wat rammelende reeks van diezelfde scherpe tonen, met wat gepiep en getjilp erdoorheen geweven, meestal een seconde of drie tot vijf lang en dan opnieuw; het mannetje brengt hem vanaf een open takje, een draad of een dakrand, en herhaalt hem het hele voorjaar door met opvallende volharding. In een drukke stadstuin zit hij tussen het geluid van mussen en bulbuls in, maar hij is er scherper en hoger dan allebei. Van januari tot in juni is hij het meest te horen, met een piek in februari en maart.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een klein, kortstaartig vogeltje met een lange, dunne, duidelijk naar beneden gebogen snavel — het kenmerk waar alles mee begint, want geen enkele andere vogel van dit formaat in de Levant heeft zo'n snavel. Het mannetje in broedkleed is over de hele vogel donker, met een metaalglans die op kop, mantel, keel en borst groen tot blauwgroen is en op de borstzijden en de stuit in violet en blauw omslaat; buik en onderstaart zijn dof zwart. Aan weerszijden van de borst zit een bosje felle oranjegele veertjes, dat gewoonlijk onder de vleugel verborgen zit en alleen bij balts of ruzie naar buiten klapt. In de schaduw is van die hele glans niets te zien en oogt de vogel effen zwart; het is dus zaak om te wachten tot hij draait. Buiten de broedtijd wordt het mannetje doffer en krijgt hij vale delen op de buik. Het vrouwtje is heel anders: grijsbruin van boven, vuil lichtgrijs van onderen, zonder glans en zonder borstpluimen, maar met dezelfde lange gebogen snavel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje; jonge mannetjes krijgen als eerste een donkere keel.
Verwarringssoorten
In vrijwel het hele gebied waar de lezer hem tegenkomt is er geen tweede honingzuiger, en de gebogen snavel maakt de determinatie in één blik rond. Alleen in het uiterste zuiden, in de Aravah en rond Eilat, komt daar de nijlhoningzuiger bij: dat is een kleiner en korter gesnaveld vogeltje waarvan het mannetje in broedkleed gele onderdelen en twee lange, dunne staartpennen heeft die ver achter de staart uitsteken — verwarring is dan uitgesloten, maar de vrouwtjes van beide soorten zijn kleine grijsbruine vogeltjes die wél op elkaar lijken, en die om aandacht voor grootte en snavellengte vragen. Het echte struikelblok is het vrouwtje in een tuin. Het wordt geregeld voor een grasmus of een zwartkop aangezien, maar die hebben een korte, rechte snavel en een heel andere, meer horizontale houding; de honingzuiger hangt aan bloemen, wipt met opgewipte staart en steekt zijn snavel in bloemkelken. En een donker mannetje in tegenlicht wordt weleens voor een jonge zwarte spreeuw of een klein lijstertje versleten; de snavel en het formaat zetten dat meteen recht, want deze vogel is nauwelijks groter dan een winterkoning met een lange staart.
Leefgebied
Meer dan van welk landschap ook is dit een vogel van bloemen, en daarmee in het Midden-Oosten een vogel van tuinen. Stadstuinen en parken, hotelterreinen, kwekerijen, sinaasappel- en olijfgaarden, kibboetstuinen en de bloemenborders langs de weg vormen zijn kerngebied, en de aangeplante hibiscus, bougainville, aloë, koraalboom en flessenborstel hebben hem in de steden talrijker gemaakt dan hij in enig natuurlijk landschap ooit is geweest. Daarnaast bewoont hij natuurlijk struweel: maquis met bloeiende struiken op de Judeese hellingen en in Galilea, wadi's met acacia in de woestijnrand, oases en dadeloasen langs de Dode Zee en in de Aravah, en de bosranden van kurkeik en steeneik. Hij komt voor van ver beneden zeeniveau, langs de Dode Zee, tot in de bergen. Het nest is het herkenningsteken van de familie: een hangend, peervormig zakje van plantenvezel, plantenpluis en spinrag met een zij-ingang en een klein afdakje erboven, geweven aan het uiteinde van een dunne tak, vaak op ooghoogte en vaak vlak naast een huis. Het vrouwtje bouwt en broedt alleen. Naast nectar eten beide geslachten veel kleine insecten en spinnen, en de jongen worden vrijwel volledig met insecten grootgebracht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een vogel van de Levant en Noordoost-Afrika. Binnen het kaartgebied broedt hij in Israël, de Palestijnse gebieden, Jordanië, Libanon en het westen van Syrië, en verder zuidwaarts op de Sinaï; daarbuiten komt hij voor in het zuidwesten van Arabië en, in een aparte vorm, in de Sahelgordel van Tsjaad en Soedan. In Israël is hij algemeen en wijdverbreid, van de kustvlakte en de Jordaanvallei tot in de Judeese heuvels en de Golan, en ontbreekt hij eigenlijk alleen in de open woestijn waar geen bloeiende struik staat. Hij is standvogel en trekt niet, maar hij heeft zich in de loop van de twintigste eeuw wel merkbaar noordwaarts en landinwaarts uitgebreid, in het spoor van de aanleg van tuinen, parken en irrigatie; de noordgrens van het areaal ligt nu in Libanon en West-Syrië. Verder Europa in komt hij niet, en er zijn geen wilde vogels ten westen van de Levant vastgesteld.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek een tuin en niet een natuurgebied. Elke hotelbeplanting, elk stadspark en elke tuin met hibiscus of flessenborstel in Jeruzalem, Tel Aviv, Amman of aan de Dode Zee levert de soort binnen een halfuur op; de beste maanden zijn februari tot april, wanneer de mannetjes onafgebroken zingen en het meeste bloeit. Ga bij een bloeiende struik staan in plaats van rond te lopen: de vogels werken hun ronde af en komen vanzelf langs. Kijk daarbij naar de zon en niet ermee mee, want een mannetje met het licht in de rug is een zwart silhouet en met het licht van opzij een groenblauw juweel; draai desnoods een kwartslag. De borstpluimen krijgt u alleen te zien als twee mannetjes ruzie maken of als er een baltst — dat is de moeite van het wachten waard. Zoek in dezelfde struiken ook naar het nestzakje aan een dunne tak; het hangt vaak laag en is buiten het broedseizoen nog maanden terug te vinden.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, en binnen het kaartgebied een van de weinige soorten die het onmiskenbaar beter is gaan doen. De aanleg van tuinen, parken en geïrrigeerde beplanting in Israël, Jordanië en Libanon heeft hem een lint van nectarbronnen door de hele streek gegeven, ook op plaatsen waar zonder irrigatie geen bloeiende struik zou staan, en daarmee is hij zowel talrijker geworden als noordwaarts opgeschoven. Het bestand is groot en stabiel en er is geen aanwijzing voor achteruitgang. Wat er aan knelpunten is, ligt lokaal: het verdwijnen van oude tuinen en boomgaarden bij stadsuitbreiding, het gebruik van insecticiden in siertuinen — de jongen leven van insecten, niet van nectar — en katten, die bij een nest op ooghoogte een reëel probleem zijn. Ook het vervangen van bloeiende beplanting door groenblijvende heesters zonder nectar doet de soort in een wijk verdwijnen zonder dat iemand het merkt.
Wetenschappelijke naam
Cinnyris osea Bonaparte, 1856
Bonaparte beschreef de soort in 1856 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier. Cinnyris komt van het Griekse kinnuris, een onbekend vogeltje dat Hesychius van Alexandrië noemt. osea gaat terug op het Griekse hosia 'heilig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de vlakte van Jericho.



