Alle soortenZangvogelsWevers › Zwartkopwever

Zwartkopwever | Ploceus melanocephalus

Black-headed weaver | Tejedor cabecinegro

Een korte, gedrongen gele vogel met een zwarte kap, die zijn nest als een gevlochten bal tussen twee rietstengels hangt. De zwartkopwever hoort in Afrika ten zuiden van de Sahara thuis; het Iberische voorkomen gaat terug op ontsnapte kooivogels, die zich vanaf de jaren negentig in de Portugese moerassen wisten te handhaven. Het nest verraadt hem eerder dan de vogel zelf: een strak geweven bol van rietrepen, iets groter dan een tennisbal, die in juni boven het water hangt te draaien.

Zwartkopwever (Ploceus melanocephalus)
Foto: Luiz Lapa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Geen zang in de gewone zin: een droog, sissend gerommel dat als een aanzwellende ruis uit het riet komt, ongeveer tsjik tsjik — zzzzzzrrrr, waarbij de vogel met hangende, trillende vleugels op zijn halfafgebouwde nest zit. Daartussen korte, harde tsjek-roepjes bij onraad. In een kolonie ratelen tien of twintig mannetjes door elkaar, wat van een afstand op het geluid van een aanslaande stofzuiger lijkt. Te horen van april tot september, het luidst midden op de dag.

Luister: Roepjes van twee vogels bij elkaar in een palmXC405117

Opname: Anne Ndung'u — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Iets kleiner en veel steviger gebouwd dan een mus, met een zware, kegelvormige snavel en een korte staart. Het mannetje in broedkleed is diep dooiergeel op borst en buik, met een egaal geelgroene rug zonder strepen en een geheel zwarte kap die kin, keel en oorstreek bedekt en op de bovenborst in een punt eindigt; daar loopt vaak een warme, roestbruine waas langs de rand van het zwart. De nek is geel, zodat de kap als een masker los op de gele vogel ligt. Het oog is donker, de snavel zwart in de broedtijd. Vrouwtjes en mannetjes buiten de broedtijd zijn onopvallend musachtig: olijfbruin met vage strepen op de rug, een vuilgele wenkbrauwstreep, een geelachtige borst en een bleke hoornkleurige snavel. In alle kleden werkt de vogel zich met korte, hakkende sprongetjes langs verticale stengels omhoog en omlaag, iets wat een mus nooit doet.

Verwarrings­soorten

De napoleonwever is duidelijk kleiner en heeft bij het mannetje juist een gele kruin en een zwarte buik — precies het omgekeerde patroon. Ontsnapte dorpswevers, die in Iberië af en toe opduiken, zijn forser, hebben een zwart-met-kastanjebruine kop, een gevlekte rug en een opvallend rood oog. Het lastigst zijn de saaie kleden: een vrouwtjeswever is op afstand nauwelijks van een mus te onderscheiden, en de doorslag geeft dan de zware, hoge snavel, de gele waas over de borst en het gedrag — wevers klimmen in het riet en hangen daarbij ondersteboven, mussen zitten er hooguit in.

Leefgebied

Rietkragen van kustlagunes, riviermondingen en zoetwatermoerassen, waar hij het nest laag boven het water in het levende riet weeft; verder rijstvelden, brede rietsloten en de rietoevers van aangelegde vijvers en golfbaanmeertjes. Foerageert vlak bij het riet op zaden van riet, gras en rijst en in de broedtijd op insecten en spinnen, meestal klimmend tussen de stengels en zelden op open grond.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van huis uit een vogel van West-, Midden- en Oost-Afrika, van Senegal tot Soedan en Oeganda. In Portugal werd de soort in de jaren negentig ontdekt in het estuarium van de Taag en bij Vilamoura, waar meteen ook broedgevallen werden vastgesteld; daar is het bij gebleven. De kernen liggen nu in het Taagestuarium, in de midden-Algarve rond Faro en Quinta do Lago, in het Paul da Tornada en, sinds enkele jaren, bij de Barrinha de Esmoriz ten zuiden van Porto. In Spanje broedt hij plaatselijk in Catalonië, in het Maresme, La Selva en de monding van de Tordera, met losse vogels elders langs de Middellandse Zeekust. Het gaat overal om kleine, dicht opeen zittende bevolkingen: plaatselijk talrijk, over het geheel genomen schaars.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in juni of juli naar een rietkraag aan de Algarve — de vijvers van Quinta do Lago en de rietvelden van Ludo zijn het bekendst — en zoek eerst naar de nesten in plaats van naar de vogel. Ze hangen op ooghoogte tot manshoogte aan een of twee rietstengels boven het water, vers geel als ze net af zijn en strogeel als ze een seizoen hebben gehangen. Blijf staan, wacht tot het gesis begint, en het mannetje komt vanzelf op de bal zitten. In Portugal is de Lagoa Pequena bij Sesimbra een tweede vaste plek; in Spanje is de monding van de Tordera de betrouwbaarste.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in Afrika is de soort algemeen en plaatselijk zelfs schadelijk in rijstvelden. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte en losgelaten kooivogels; hij staat in Spanje op de lijst van invasieve uitheemse soorten, wat verkoop en bezit verbiedt. De vrees is dat hij inheemse rietbroeders als kleine karekiet en rietzanger uit de beste plekken verdringt en met hen om zaad en insecten strijdt; in Catalonië is gezien dat wevers andere soorten uit een broedplek weren. Bewijs voor schade op grotere schaal ontbreekt vooralsnog, en dat komt vooral doordat de bevolking klein en sterk geconcentreerd is gebleven. Wie een broedende zwartkopwever ziet doet er goed aan hem te melden: juist bij een soort die dertig jaar op dezelfde plekken blijft steken, is elke nieuwe kern het opmerken waard.

Wetenschappelijke naam

Ploceus melanocephalus (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia melanocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier. Ploceus is Grieks, van plokeus 'vlechter', van plekō 'vlechten', naar de geweven nesten. melanocephalus is Grieks, van melas 'zwart' en kephalē 'kop'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guinee.