Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Napoleonwever
Napoleonwever | Euplectes afer
Yellow-crowned bishop | Obispo coronigualdo
Een vogeltje ter grootte van een winterkoninkje dat in de zomer boven de rijstvelden hangt als een losgeraakte gele pompon. De napoleonwever hoort van huis uit in Afrika ten zuiden van de Sahara thuis; het Iberische voorkomen gaat terug op ontsnapte kooivogels, die in de jaren tachtig in de Algarve werden opgemerkt en zich sindsdien over de grote Portugese moerassen hebben verspreid. Buiten de broedtijd verdwijnt hij volledig: dan is het een klein bruin streepvogeltje dat je voor een jonge mus houdt.
Geluid
Een ijl, hoog gesis en gezoem, zi-zi-zi-zrrrrr, dat de baltsende man zonder ophouden uitstoot terwijl hij met snelle, gonzende vleugelslagen boven zijn stukje gras op en neer schiet — het geluid van een grote vlieg tegen een ruit. Daarnaast een kort, scherp tsjip als contactroep in de groep. Alleen in de broedtijd echt opvallend, van mei tot in september.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Zeer klein en rond, met een korte staart en een dikke, kegelvormige snavel. Het mannetje in broedkleed is niet te verwarren: helder dooiergeel op voorhoofd, kruin en achterhoofd, dat als een brede gele kraag om de nek doorloopt, en verder zwart op gezicht, keel, borst en buik; rug en stuit zijn geel, de vleugels bruin. Bij het baltsen zet hij de rug- en stuitveren zo ver op dat de vogel bijna bolrond wordt en de gele kruin als een muts overeind staat. Vrouwtjes en niet-broedende mannetjes zijn vaalbruin met donkere strepen op de rug, een licht wenkbrauwstreepje en fijn gestreepte flanken — musachtig, maar veel kleiner, korter gestaart en met een lichtere snavel. Mannetjes buiten de broedtijd houden donkere vleugelveren en zijn daaraan met enige moeite te herkennen.
Verwarringssoorten
De zwartkopwever is fors groter, heeft juist een zwarte kop op een gele romp en klimt in het riet in plaats van boven het gras te dansen. Andere ontsnapte wevers uit het geslacht Euplectes, zoals de oranjewever en de grenadierwever, hebben in broedkleed rood tot oranje in plaats van geel; bij twijfel let je op de kleur van de kruin, die bij de napoleonwever altijd geel is. In het saaie kleed valt er aan het verenkleed weinig te beslissen: het formaat, de zeer korte staart en het gezelschap van andere kleine zaadeters langs een rijstveld zeggen dan meer dan het verenkleed.
Leefgebied
Natte, grazige plekken met hoog opgaande stengels: rijstvelden en hun dijkjes, ondergelopen weiland, natte ruigten en de brede randen van rietkragen en sloten. Het nest is een klein ovaal bouwsel van fijn gras dat laag tussen rechtopstaande stengels wordt geweven, met de opening bovenin; een man bouwt er verscheidene, elk voor een ander vrouwtje. Foerageert vrijwel uitsluitend op zaad van grassen, riet en rijst, in de broedtijd aangevuld met kleine insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van huis uit een vogel van de open, natte graslanden van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Zuid-Afrika. In Portugal werd hij in de jaren tachtig in de Algarve vastgesteld en heeft hij zich in de laatste twee decennia sterk uitgebreid: de rijstvelden en rietvelden van het Taag- en Sadoestuarium, de lagune van Aveiro en verscheidene Algarvekusten horen inmiddels bij het gewone beeld. In Spanje broedt hij plaatselijk in de rijstgebieden en rietmoerassen van Andalusië, Valencia en Catalonië, en in Zuid-Frankrijk gaat het om enkele kleine kernen in de Rhônedelta en langs de kust. De aantallen zijn in Portugal het grootst en groeien daar nog.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in juli of augustus een rijstveld in het Taagestuarium op, bijvoorbeeld de Lezíria bij Vila Franca de Xira, en rijd langzaam langs de kanaaldijken. Een baltsende man zie je van ver: een fel geel bolletje dat zich met gonzende vleugels boven het gewas verheft, een paar seconden blijft hangen en dan weer wegduikt. Kijk in de vroege ochtend, want bij hitte wordt hij stil. In de Algarve zijn de rietvelden van Ludo en de Ria de Alvor betrouwbaar; in Spanje kun je het in de rijstvelden van de Guadalquivirmarismas en de Ebrodelta proberen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); in Afrika is de soort talrijk en in graan- en sorghumvelden plaatselijk schadelijk. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte en losgelaten kooivogels; Portugal rekent hem tot de vaste exoten en in Spanje is de handel in deze Afrikaanse zaadeters aan banden gelegd. Van de drie Afrikaanse wevers en wida's in Iberië is dit de soort die het hardst is gegroeid, en dat maakt haar het interessantst om te volgen: zij bezet dezelfde natte graslanden en rijstvelden waar inheemse zaadeters broeden, en het is nog onbekend of daar op den duur iets voor wijkt. Vraatschade aan rijst is tot nu toe niet van betekenis. Wat wel vaststaat is dat de bevolking niet meer weg te denken is: uitroeien is bij een klein, verspreid en snel broedend vogeltje geen begaanbare weg meer.
Wetenschappelijke naam
Euplectes afer (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Loxia afra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. afer is Latijn voor 'Afrikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.



