Alle soorten › Zangvogels › Wida's › Dominicanerwida
Dominicanerwida | Vidua macroura
Pin-tailed whydah | Viuda colicinta
Een klein zwart-wit vogeltje met een koraalrode snavel, waarvan het mannetje in de zomer vier staartpennen van twintig centimeter achter zich aan sleept — bij een lijf van nog geen dertien. De dominicanerwida komt uit Afrika ten zuiden van de Sahara; het Portugese voorkomen gaat terug op ontsnapte kooivogels. Hij bouwt zelf geen nest: het vrouwtje legt haar eieren bij kleine zaadeters in het nest en laat de jongen door de gastheer grootbrengen. Die jongen dragen in de opengesperde bek precies dezelfde stippen en tekening als de eigen jongen van het waardpaar, en groeien tussen hen op zonder dat er iets uit het nest wordt gewerkt.
Geluid
Een hoog, snel en piepend gebabbel, tsip-tsip-tsjie-tsjie-tsjrrt, dat het mannetje vanaf een draad of een dode tak uitstoot en tijdens het baltsen boven het vrouwtje herhaalt. In die zangvlucht hangt hij met snel trillende vleugels op een halve meter boven haar, met de staartpennen recht omlaag, en zakt en stijgt alsof hij aan een elastiek hangt. Mannetjes vlechten er de heldere, opgaande roepjes van de kleine zaadeters om hen heen doorheen; wie het zangvluchtje ziet, hoort het verschil niet meer.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Buiten de staart nauwelijks groter dan een pimpelmees, maar veel gedrongener, met een korte, dikke, felkoraalrode snavel die in elk kleed opvalt. Het mannetje in broedkleed is zwart op kruin, rug en vleugels, met een breed wit vleugelveld, een witte halskraag en een geheel witte onderzijde; uit het midden van de staart steken vier smalle, zwarte pennen van twintig tot tweeëntwintig centimeter, samen ruim anderhalf keer de vogel zelf, zodat het dier in de vlucht bijna drie keer zo lang oogt als in de winter. Vrouwtjes en niet-broedende mannetjes zijn licht zandbruin met donkere strepen op de rug en een gestreepte kop met twee donkere kruinstrepen en een lichte middenstreep; de rode snavel blijft, en dat is het enige waarop je ze dan met zekerheid kunt houden.
Verwarringssoorten
Een mannetje in vol tooi is met niets in Europa te verwarren. Het saaie kleed is een ander verhaal: dan lijkt de vogel op de kleine, verwilderde zaadeters waarmee hij optrekt, zoals het sint-helenafazantje, dat echter een rode oogstreep en een gestreepte, roodbruine buik heeft, en op een jonge mus, die een hoornkleurige snavel draagt en niet die felle koraalrode. Let ook op de kop: de wida heeft een strak getekende, gestreepte kruin, waar mussen een egale kruin hebben. Mannetjes die net van kleed wisselen zijn het lastigst — dan zit er een half zwart lijf onder een vaal gestreepte kop.
Leefgebied
Open, grazige plekken met struiken en zaadgevende kruiden: ruige oevers en dijkjes langs rivieren en lagunes, akkerranden, braakland, rietranden en stadsparken en tuinen aan de rand van bebouwing — overal waar veel kleine zaadeters zitten, want daar draait alles om. Foerageert op de grond, hippend en met korte rukjes achterwaarts krabbend, op graszaad en gemorst graan; in de broedtijd ook op kleine insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van huis uit een vogel van heel Afrika ten zuiden van de Sahara. In Europa is hij vast gevestigd in Portugal, met de kern rond de Ria de Aveiro en de Barrinha de Esmoriz en waarnemingen ten noorden en ten zuiden daarvan, langs de hele westkust tot in de Algarve. In Spanje gaat het om verspreide vogels en een enkele kleine kern aan de zuid- en oostkust; van vaste, jaar op jaar bezette broedplaatsen is daar nog weinig bekend. Zijn verspreiding volgt die van het sint-helenafazantje, dat zelf teruggaat op ontsnapte kooivogels en langs de Portugese rivieren overal zit — waar die vogel ontbreekt, houdt de wida op.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in juni of juli langs de rietranden en weilanden van de Ria de Aveiro of om de Barrinha de Esmoriz en let op de draden en de toppen van struiken. Een mannetje in tooi is op honderden meters te zien: de staart hangt zo zwaar dat de vogel schokkerig en golvend vliegt, als een dartpijl met een lange veer. Zoek eerst een troepje sint-helenafazantjes op en wacht daar; de wida hoort erbij en jaagt de kleine vogels regelmatig op. Buiten de zomer heeft zoeken weinig zin: zonder staart en zonder zang blijft alleen een klein gestreept vogeltje met een rode snavel over.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in Afrika algemeen. In Europa gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte kooivogels, en om een bijzonder geval: hij is voor zijn voortbestaan van andere vogels afhankelijk, en in Iberië is zijn gastheer, het sint-helenafazantje, zelf een verwilderde exoot. Zolang dat zo blijft, raakt de wida geen enkele inheemse soort rechtstreeks. De zorg zit in wat hij elders wél doet: in Afrika en in Noord-Amerika legt hij zijn eieren bij een hele reeks kleine zaadeters, niet bij één soort, en of hij in Iberië ooit op een inheemse vogel zal overgaan is niet te voorspellen. Daar komt bij dat hij fel is bij voedsel en kleinere vogels van een voerplek verdrijft. De Portugese bevolking is klein en plaatselijk, maar breidt zich langzaam uit; de soort wordt in beide landen als exoot gevolgd en verhandelen ervan is aan regels gebonden.
Wetenschappelijke naam
Vidua macroura (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Fringilla (macroura); omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vidua werd in 1816 ingevoerd door Cuvier. Vidua is Latijn voor 'weduwe', naar het zwarte broedkleed van het mannetje, dat aan rouwkleding doet denken; de naam speelt tevens met de West-Afrikaanse havenplaats Ouidah, waaraan de Engelse naam whydah is ontleend. macroura is Grieks, van makros 'lang' en oura 'staart', naar de sterk verlengde staartpennen van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.



