Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Loodbekje
Loodbekje | Euodice malabarica
Indian silverbill | Capuchino picoplata
Een bleek, zandkleurig vinkje met een dikke snavel die eruitziet alsof hij van gepolijst lood of zilver is — vandaar de naam. Het loodbekje hoort thuis in de droge streken van het Indisch subcontinent en het Midden-Oosten en is als kooivogel de wereld over gegaan. In het Middellandse Zeegebied gaat het voorkomen terug op ontsnapte vogels: in Israël en Jordanië zit hij inmiddels vast, in Zuid-Spanje en Italië gaat het om kleine groepjes waarvan nog moet blijken of ze blijven.
Geluid
Een zacht, aanhoudend en wat piepend tsjiep-tsjiep, dat de vogels tijdens het foerageren onafgebroken naar elkaar sturen en dat een troepje in dicht struweel verraadt nog voor er iets beweegt. Bij het opvliegen wordt de roep sneller en scherper. De zang is een lang, zeer zacht en rommelig deuntje van piepende en trillende noten, dat een mannetje met opgezette borstveren en licht buigend lijf brengt; hij draagt hooguit een paar meter ver.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Elf tot elfeneenhalve centimeter, waarvan de staart een flink deel inneemt. De snavel is zwaar en kegelvormig en heeft een opvallende zilvergrijze tot blauwgrijze kleur, veel lichter dan de kop — het meest in het oog springende kenmerk, ook op afstand. De bovendelen zijn licht zandbruin, van boven vaag donkerder gestreept; de wangen zijn iets warmer bruin. De hele onderzijde is roomwit tot wit, zonder streping of bandering, met een lichte beige waas over de flanken. De vleugels zijn donkerbruin en steken duidelijk af tegen de bleke rug. De stuit is wit en licht bij het opvliegen op tussen de donkere vleugels en de zwarte staart. Die staart is lang en spits, doordat de veren van het midden naar buiten toe korter worden. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn beiger van onderen en hebben een kortere staart.
Verwarringssoorten
De muskaatvink is even groot maar heeft een veel donkerder, blauwzwarte snavel, een chocoladebruine kop, geschubde witte onderdelen en een gele stuit; de jonge muskaatvink is effen bruin van onderen en donkerder dan het loodbekje, met een korte staart en een donkere snavel. De astrilden hebben allemaal een rode snavel en zijn kleiner en donkerder. Buiten Europa komt een nauw verwante soort met een zwarte stuit voor; wie het dier in de hand krijgt of goed van achteren ziet, moet dus op de witte stuit letten. Van een jonge huismus scheidt het loodbekje zich door de bleke, ongestreepte onderzijde, de zilveren snavel en de lange spitse staart.
Leefgebied
Droge, open terreinen: doornstruweel en acaciasteppe, halfwoestijn met verspreide struiken, droge graslanden, akkerranden en stoppelvelden, en verder tuinen, palmtuinen, parken en de groene randen van dorpen en steden. Zoekt water op om te drinken en te baden maar leeft verder droog. Foerageert in troepjes op de grond en aan de halm op fijn graszaad en gemorst graan, met kleine insecten erbij in de broedtijd. Het nest is een slordige bal van grashalmen met een zijingang, laag in een doornstruik of een acacia, soms in de onderbouw van een groter roofvogel- of ooievaarsnest.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van huis uit een vogel van het droge deel van het Indisch subcontinent en van het Midden-Oosten, van Pakistan en India westwaarts tot Iran en het Arabisch schiereiland. Binnen het kaartgebied van deze gids is hij gevestigd in Israël en Jordanië, waar de soort de laatste decennia gewoon is geworden in cultuurland en stadsranden, en sinds enkele jaren ook in Egypte. In Europa gaat het om verwilderde vogels van de vogelhandel: kleine groepjes in Zuid-Spanje, een enkele kern rond Nice in Zuid-Frankrijk en waarnemingen uit Italië, waar over een mogelijke eerste vestiging is geschreven. Verder ingeburgerd in Koeweit, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië, Puerto Rico en delen van de Verenigde Staten.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Israël en Jordanië is het eenvoudig: loop in de Jordaanvallei of rond de akkers en dadelpalmtuinen van de Aravavallei langs doornhagen en stoppelvelden en luister naar het zachte, aanhoudende gepiep. De vogels zitten laag en dicht opeen en vliegen bij verstoring met een snelle, licht golvende vlucht naar de volgende struik; op dat moment is de witte stuit tussen de donkere vleugels het beste te zien. In Spanje is zoeken een kwestie van geluk — controleer stadsranden, palmtuinen en irrigatiegebieden aan de zuidkust, en houd er rekening mee dat de meeste vogels daar pas kort geleden uit een volière komen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in het oorspronkelijke gebied algemeen en toenemend, mede doordat irrigatielandbouw het droge landschap voor de soort geschikt heeft gemaakt. In het Middellandse Zeegebied gaat het om een uitheemse vogel die teruggaat op ontsnapte kooivogels. In Israël en Jordanië heeft die vestiging zich doorgezet en is de soort niet meer weg te denken uit cultuurland en stadsranden; wat dat voor inheemse zaadeters betekent is niet onderzocht. In Spanje en Italië is het beeld heel anders: losse groepjes, weinig broedgevallen en geen aanwijzing dat er een bestand staat dat zichzelf zonder aanvoer uit volières in stand houdt. De soort staat niet op de Spaanse lijst van invasieve uitheemse soorten en evenmin op de Unielijst.
Wetenschappelijke naam
Euodice malabarica (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia malabarica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euodice werd in 1863 ingevoerd door Reichenbach. Euodice is Grieks, van eu 'goed' en ōdikos 'zingend', dus zoveel als 'goede zanger'. malabarica verwijst naar Malabar, de kuststreek in het zuidwesten van India. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malabar in India.



