Alle soorten › Keerkringvogels › Keerkringvogels › Roodsnavelkeerkringvogel
Roodsnavelkeerkringvogel | Phaethon aethereus
Red-billed tropicbird | Rabijunco etéreo
De roodsnavelkeerkringvogel hoort bij de warme oceanen en niet bij Europa, en juist daarom vergeet niemand hem meer: spierwit, met een koraalrode snavel en twee zweepdunne staartpennen die als linten achter hem aan slepen. Hij is in deze gids de enige soort van zijn orde en van zijn familie, en wie hem tegenkomt ziet hem bijna altijd hoog en alleen, ver van elke andere zeevogel.
Geluid
In Europa hoor je hem vrijwel nooit, want een dwalende vogel op zee zwijgt. Bij de kolonies is hij daarentegen luidruchtig: een schel, ratelend en krijsend krik-krik-krik-krik dat twee of drie vogels uitstoten terwijl ze in strakke bogen om elkaar heen boven het klif draaien, vaak met de staartpennen wijd uiteen. Uit de nestspleet komt een lager, knorrend gekras.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een witte zeevogel ter grootte van een grote stern, maar veel forser gebouwd, met een dikke hals en een zware kop. Het verenkleed is satijnwit met een zwarte oogstreep die achter het oog breder wordt en tot in de zijhals doorloopt, met fijne zwarte dwarsbandjes over mantel, rug en schouders, en met zwarte buitenste handpennen die in vlucht een scherpe donkere voorrand aan de vleugelpunt geven. De snavel is zwaar, licht gebogen en koraal- tot oranjerood. Volwassen vogels dragen twee witte staartpennen van zesenveertig tot zesenvijftig centimeter, dun als een zweepkoord; op afstand zie je die het eerst, of juist helemaal niet, want ze breken gemakkelijk af. De vlucht is hoog en recht, met snelle, ondiepe, bijna duifachtige slagen en korte glijvluchten; boven een school vis hangt de vogel even biddend stil en stort zich dan met halfgevouwen vleugels loodrecht het water in. Op zee ligt hij hoog op het water met de staartpennen omhooggestoken. Jonge vogels missen de staartpennen, hebben een gele snavel, een zwarte nekband en veel grovere zwarte bandering op de bovendelen.
Verwarringssoorten
Zonder staartpennen, en dat is de helft van de gevallen, gaat de verwarring met grote sterns het snelst: die is veel kleiner en slanker, heeft een zwarte kuif en een zwarte snavel met gele punt en slaat soepeler en dieper met de vleugel. Jan-van-gent is veel groter en sigaarvormig, met zwart over de hele vleugelpunt en een spitse blauwgrijze snavel. Kleinste jager in zomerkleed heeft ook twee lange staartpennen, maar is grijsbruin met een zwarte kap en donkere vleugels, en die pennen zijn buigzaam en stomp in plaats van wit en zweepdun. De twee andere keerkringvogels van de wereld komen binnen het gebied van deze gids niet voor, zodat de combinatie van een rode snavel, wítte staartpennen en fijn zwart gebandeerde bovendelen hier niets anders kan zijn.
Leefgebied
Warme, diepe en voedselarme oceaan, meestal ver voorbij de rand van het continentaal plat, waar hij alleen jaagt op vliegende vis en inktvis en daarvoor van tien tot dertig meter hoogte loodrecht duikt. Aan land komt hij uitsluitend om te broeden: één ei in een rotsspleet, onder een overhangende steen of in een holte op een steile zeeklif van een oceanisch eiland, zonder nestmateriaal. Zijn poten staan zo ver naar achteren dat hij niet kan lopen; hij schuifelt op de borst het gat in en uit, wat hem op de grond volledig weerloos maakt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van tropische eilanden in de Atlantische Oceaan, de Indische Oceaan en de oostelijke Stille Oceaan. Binnen het kaartgebied gaat het om twee verschillende verhalen. In het oosten reikt de broedpopulatie van de Rode Zee tot in de Golf van Akaba, en dat maakt de soort bij Eilat, de zuidpunt van Israël en de kust van Jordanië tot een schaarse maar bijna jaarlijkse gast. In het westen duikt hij sinds de jaren negentig steeds vaker bij de Azoren en de Canarische Eilanden op, met vogels die zich soms wekenlang bij dezelfde klif ophouden. Op het Europese vasteland is elke waarneming een gebeurtenis; op de Noordzee is de soort niet te verwachten.
Waar en wanneer kijken
De betrouwbaarste plek van het hele kaartgebied is de kop van de Golf van Akaba. Neem tussen maart en juni een telescoop mee naar het Noordstrand van Eilat of naar de haven en scan de open golf af, het liefst in de eerste uren na zonsopkomst, wanneer het water nog vlak is en een wit silhouet meteen opvalt; kijk hoog, want de vogel vliegt zelden laag over zee. De tweede mogelijkheid is een pelagische boottocht bij de Azoren vanuit Horta of Lajes do Pico in juli, augustus of september, en de derde een tocht langs de zuidkust van Tenerife of rond La Gomera in de zomer. Overal geldt hetzelfde: hij komt niet naar de boot, dus scan het luchtruim en niet het kielzog.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), maar dat is een geruststelling met een randje: de wereldpopulatie wordt op enkele duizenden tot ruim tienduizend volwassen vogels geschat en neemt af. Alle kolonies liggen op eilanden, en daar zijn ingevoerde ratten, katten en agressieve mierensoorten de grote schadeposten, samen met verstoring van de klifnesten en verdrinking in vistuig. Binnen dit kaartgebied gaat het om een handvol vogels per jaar; wat er met de soort gebeurt wordt bepaald op broedeilanden die er ver buiten liggen.

