Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Westelijke baardgrasmus
Westelijke baardgrasmus | Curruca iberiae
Western subalpine warbler | Curruca carrasqueña
De westelijke baardgrasmus is de grasmus van het Spaanse jaral: een klein, langstaartig zangertje met een rode oogring, dat vanaf de punt van een cistusstruik zijn haastige babbel de helling in gooit en er meteen weer onder duikt. Sinds 2013 wordt wat vroeger één baardgrasmus heette als drie soorten behandeld, en dit is de westelijke: de vogel van het Iberisch schiereiland, Zuid-Frankrijk en Noordwest-Afrika. In Nederland is hij een uitzonderlijke dwaalgast.
Geluid
De zang is een snelle, ratelende babbel van twee tot drie seconden die op die van de grasmus lijkt, maar gelijkmatiger en muzikaler klinkt, met minder krassende en meer heldere tonen: tsjre-tsjre-tsjirre-tsjirre-tsjrit, alsof iemand een klein deuntje afdraait. Hij wordt gegeven vanaf de top van een cistus- of rozemarijnstruik, en vaak in een kort zangvluchtje waarbij de vogel schuin omhoog wipt en zingend weer terugvalt. De roep is bij deze soort het kenmerk waar alles op aankomt: een hard, droog, eenlettergrepig tek, meestal in een korte reeks, precies zoals een braamsluiper tikt — nooit de vollere, verdubbelde roep van de balkanbaardgrasmus en nooit de ratel van Moltoni's. Zingt van eind maart tot in juni, het felst in april en in het eerste uur na zonsopgang.
Opname: Philippe_Grange — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Kleiner en fijner dan een grasmus, met een naar verhouding lange staart die vaak omhoog wipt. Het mannetje heeft een leigrijze kop en rug met een bruinige zweem, en van de kin tot ver op de buik een warme, oranje baksteenkleur die geleidelijk uitdooft — juist dat ontbreken van een scherpe grens is het kenmerk. De witte baardstreep onder de wang is smal en zwak. Om het oog ligt een oranjerode oogring, de iris is roodbruin, de poten zijn lichtbruin. De buitenste staartpennen zijn wit; op de een-na-buitenste zit een klein, vierkant wit puntje. De handpenprojectie is kort en breed, met vier tot zes zichtbare pennetjes. Het vrouwtje is bruingrijs boven en roomwit met een roze waas onder, mist de baardstreep vrijwel geheel en houdt alleen de roodachtige oogring over, met daarbuiten een dun vuilwit ringetje.
Verwarringssoorten
Alles draait om de drie baardgrasmussen onderling — zie ook de pagina's van de balkanbaardgrasmus en Moltoni's baardgrasmus, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Bij een zingend mannetje in het voorjaar zijn er drie dingen te doen. Ten eerste de onderkant: bij de westelijke loopt het oranjerood zonder grens door tot op de buik, bij de balkanbaardgrasmus staat een dieper baksteenrood van keel en borst scherp tegen een witte buik, en bij Moltoni's is het geen rood maar een licht zalmroze dat even diffuus doorloopt. Ten tweede de baardstreep: smal en zwak bij de westelijke, breed en opvallend bij de oostelijke vogels van de Balkan. Ten derde de staart: de een-na-buitenste pen heeft bij de westelijke en bij Moltoni's een vierkant wit puntje, bij de balkanbaardgrasmus een smalle witte wig langs de schacht — goed te fotograferen, zelden te zien. Bij vrouwtjes en eerstejaars houdt het op: die zijn op kleed niet te scheiden, en dan beslist alleen de roep, of anders de plaats waar de vogel zit. De roep van de westelijke is een hard, droog, eenlettergrepig tek, net het tikken van een braamsluiper; de balkanbaardgrasmus geeft een voller, vaak verdubbeld t-tret en Moltoni's een droge ratel. Verder lijkt een vrouwtje op een kleine grasmus, maar die heeft een breed roestbruin vleugelpaneel en geen rode oogring, en de brilgrasmus heeft juist een opvallende witte oogring, donkere teugels en een veel warmere roodbruine vleugel.
Leefgebied
Laag, dicht en aromatisch mediterraan struweel op droge, zonnige hellingen: jarales van cistus, kermeseik, rozemarijn en brem, de eerste stadia waarin een gekapt of verbrand eikenbos weer dichtgroeit, en verder dehesa's, pijnboom- en jeneverbesbossen met een dichte struiklaag. Hij wil struikgewas van kniehoogte tot manshoogte met hier en daar een uitstekende zangpost, en mijdt zowel kale steppe als gesloten bos. In Spanje van zeeniveau tot 1.900 meter, het talrijkst tussen 600 en 1.000 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt op het Iberisch schiereiland, in Zuid-Frankrijk en in Noordwest-Afrika, met een kleine uitloper in het uiterste noordwesten van Italië, en overwintert in de Sahel, ten zuiden van de Sahara. Spanje herbergt verreweg het grootste deel: SEO/BirdLife komt op ongeveer 4,5 miljoen vogels, het dichtst in beide Castiliës en in Aragon, met gaten langs de Cantabrische kust, in La Mancha, in het zuiden van Extremadura en in de laaglanden van Levante. De vogels komen tussen eind februari en mei terug, met een piek eind maart, en vertrekken tussen augustus en oktober, met een piek eind september. In Nederland is hij een uitzonderlijke dwaalgast; veel oudere Noordwest-Europese gevallen staan nog als 'baardgrasmus spec.' te boek, omdat ze niet tot op soort te brengen waren.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eind maart en april, in een bloeiend jaral, in het eerste uur na zonsopgang. Zoek niet in de struik maar op de toppen: het mannetje zingt bewust in het zicht en verraadt zich met korte zangvluchtjes. Neem de roep op zodra je hem hoort, want bij een vrouwtje of een najaarsvogel is dat het enige wat de soort echt vastlegt. Goede gebieden zijn de sierras rond Madrid, de Serranía de Cuenca en de heuvels van Aragon; in augustus en september zit hij op doortrek ook in laag struweel langs rambla's en aan de kust.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De Rode Lijst beoordeelt hem nog niet apart, maar samen met de balkanbaardgrasmus onder de ruime soort Sylvia cantillans, die als niet bedreigd te boek staat; de splitsing van 2013 is er met andere woorden nog niet in verwerkt. Feitelijk gaat het om een zeer talrijke vogel met een groot areaal en een Spaanse populatie die stabiel oogt. De knelpunten zijn die van het mediterrane struweel: het opruimen van matorral voor akkerbouw en olijfaanplant, grote branden, en aan de andere kant het dichtgroeien van verlaten weidegrond tot gesloten bos.



