Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Zwarte tapuit
Zwarte tapuit | Oenanthe leucura
Black wheatear | Collalba negra
De zwarte tapuit is de vogel van de rotswand: kloven, droge ramblas, kalkkliffen en zeekliffen rond de westelijke Middellandse Zee, waar het roetzwarte mannetje met zijn witte stuit vanaf een richel in de zon zit te zingen. Het is de grootste tapuit van het gebied en de enige die het hele jaar op zijn eigen rots blijft.
Geluid
De zang is luid en fluitend, bijna lijsterachtig: een korte strofe van heldere, weemoedige fluittonen met daartussen krassende noten, gezongen vanaf een richel of in een zangvlucht die voor de wand op en neer golft. Al vanaf januari te horen, ruim voor bijna alle andere vogels van het rotsterrein. De roep is een helder gefloten pie-pie en bij onraad een droog tsjak-tsjak; beide dragen ver in de echo van een kloof.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Grote, forse tapuit van 16 tot 18 centimeter, zwaar gebouwd en met een lange staart. Het mannetje is geheel roetzwart en glanst in de zon; het vrouwtje is donkerbruin en wat doffer, maar precies zo getekend. Stuit en staartbasis zijn wit, en op dat wit staat een zwarte omgekeerde T van een brede eindband en een middenstreep: in vlucht wordt het wit van de staart abrupt afgesneden door het zwarte uiteinde. Snavel en poten zijn zwart en stevig, de onderstaartdekveren wit. Jonge vogels zijn bruin en vaag geschubd, met hetzelfde staartpatroon.
Verwarringssoorten
Op het Iberisch Schiereiland is verwarring uitgesloten, want geen andere tapuit is daar geheel zwart. Het probleem ligt in de Maghreb, waar ook de witkruintapuit voorkomt. De volwassen witkruintapuit heeft een zuiver witte kruin, maar jonge vogels en eerstejaars zijn even zwart als de zwarte tapuit, en dan beslist de staart: de witkruintapuit heeft een vrijwel geheel witte staart, met zwart dat beperkt blijft tot de punten van de middelste pennen en zonder doorlopende eindband, terwijl de zwarte tapuit altijd de brede eindband en de omgekeerde T laat zien. De witkruintapuit is bovendien slanker, langsnaviger en glanzender zwart. De zwarte roodstaart is veel kleiner en heeft een roestrode staart die bij elke landing trilt. De merel is groter, mist de witte stuit en heeft bij het mannetje een gele snavel.
Leefgebied
Kalkwanden en rotsplateaus, kloven en barranco's, ingesneden droge rivierbeddingen, badlands, steengroeves en zeekliffen, vrijwel altijd met laag mediterraan struikgewas — tijm, rozemarijn, garrigue — aan de voet of op de richels, want daar zit het voedsel. Tot 2000 meter in de sierra's en tot op zeeniveau bij Cabo de Gata en de Garraf. Ook in ruïnes, verlaten cortijos en taluds langs bergwegen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Beperkt tot het westelijke Middellandse Zeegebied: het Iberisch Schiereiland en Noordwest-Afrika, van Marokko via Algerije en Tunesië tot het noordwesten van Libië. In Spanje ligt het zwaartepunt in de mediterrane kuststrook en de bergen daarachter — Almería, Murcia, Alicante, Valencia, Catalonië — met een uitloper langs het Sistema Ibérico en verspreide plekken in Andalusië, het midden en het zuidwesten; langs de hele Cantabrische kust ontbreekt hij. In Portugal houdt hij het Douro-dal en het binnenland van de Alentejo bezet. In Zuid-Frankrijk is hij als broedvogel verdwenen; de laatste territoria lagen in de Roussillon. Rond het jaar 2000 werd de Europese populatie op enkele duizenden tot ruim tienduizend paren geschat, vrijwel geheel in Spanje.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Een ochtend in februari of maart in een kalkkloof in het zuidoosten van Spanje — El Torcal, Cabo de Gata, de Sierra de Grazalema, de Garraf — en luister eerst, kijk daarna: het fluitende liedje kaatst tegen de wand. Zoek vervolgens de steenhoop. Het mannetje sleept kiezels aan, tot 23 gram per stuk, bijna tweederde van zijn eigen gewicht, en stapelt ze op de richel bij de nestspleet; op een plek die jaren achtereen wordt gebruikt liggen er honderden tot duizenden. Vrouwtjes leggen meer eieren bij mannetjes die meer stenen aandragen, dus die hoop is een advertentie en geen versiering.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in Spanje plaatselijk stabiel tot licht toenemend, maar uit Frankrijk verdwenen en aan de noordelijke en binnenlandse rand van het areaal teruggelopen. Wat de soort schaadt is het verlies van rotswand met struikgewas aan de voet: actieve steengroeves, bebouwing van de kust, klimroutes en via ferrata's in broedwanden, en het verdwijnen van het mozaïek van lage struiken en kale grond waar hij jaagt, hetzij door dichtgroeien, hetzij door omploegen. Waar de wand met rust wordt gelaten en er rozemarijn aan de voet staat, houdt hij goed stand.




