Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Oostelijke roodstaarttapuit

Oostelijke roodstaarttapuit | Oenanthe chrysopygia

Red-tailed wheatear | Collalba afgana

De oostelijke roodstaarttapuit is de saaiste vogel met de mooiste staart: van voren grijsbruin en vlak, van achteren oranjerood met een zwarte T. Hij broedt in de bergen van de Kaukasus, Iran en Afghanistan en overwintert in Arabië en India; naar Israël komt elke winter een handjevol, en dat is het enige moment waarop hij in het gebied van deze gids te zien is. Wie hem daar vindt, heeft meteen het determinatieprobleem van de hele groep op zijn bord.

Oostelijke roodstaarttapuit (Oenanthe chrysopygia)
Foto: Mvshreeram — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winterkwartieren zwijgt hij bijna. De roep is een kort, hard tsjak en een dun, opgaand fluitje; twee vogels die om een goede struik ruziën laten een snel geratel horen. De zang, alleen in het broedgebied en vooral in mei en juni te horen, is een eenvoudige, herhaalde fluittoon met daarachter een reeks krassende, klikkende en piepende noten, meestal vanaf een rotspunt en soms in een korte zangvlucht. Hij is opvallend zachter en minder gevarieerd dan de zang van de tapuit.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Kleine tapuit met een vlak, uitdrukkingsloos gezicht en een verrassend gekleurde achterkant. De bovendelen zijn egaal grijsbruin zonder tekening, de kruin en de mantel in dezelfde kleur, met een flauwe, smalle lichte wenkbrauwstreep die vóór het oog het duidelijkst is; op de oorstreek ligt vaak een warme, roestige waas. De onderdelen zijn egaal grijswit met een beige of abrikooskleurige zweem over de borst, en de onderstaartdekveren zijn zacht oranje — maar zonder harde grens, zodat de vogel van voren gezien niets contrastrijks heeft. Stuit en staartbasis zijn helder oranjeroestig, de rest van de staart zwart: een brede eindband en zwarte middenveren, samen de omgekeerde T op een roestrode ondergrond. De poten en de snavel zijn zwart. Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar; het mannetje heeft hooguit een donkere teugel tussen snavel en oog, en zwart in de keel heeft hij nooit.

Verwarrings­soorten

De koerdische tapuit is het probleem, en het is een echt probleem: de twee zijn pas laat uit elkaar gehaald, ze delen de roestrode stuit, de roestrode staartbasis met de zwarte T en de oranje onderstaartdekveren, en aan de staart valt niets te zien waarmee je ze scheidt. Kijk naar de keel en naar de buik. De oostelijke roodstaarttapuit is van onderen egaal grijsbeige, met een geleidelijke overgang naar het oranje onder de staart en zonder ook maar een spoor van zwart in de keel. Een mannetje koerdische tapuit in broedkleed heeft juist wél een zwarte kin en keel, en daaronder een witte buik die hard tegen de oranje flanken afsteekt. Buiten het broedkleed en bij vrouwtjes verdwijnt dat onderscheid grotendeels: dan heeft de koerdische tapuit alleen nog een donkerbruine wangvlek, en die kan bij een verweerde vogel nauwelijks opvallen. De vindplaats weegt daarom zwaar mee — de Kaukasus en Iran tegenover Turkije en Noord-Irak — maar in Israël staan beide op de lijst en blijft een deel van de vogels onbenoemd. Verder is de verwarring beperkt: de tapuit heeft een zuiver wit stuitvlak, de izabeltapuit ook, de woestijntapuit een geheel zwarte staart, en de gekraagde roodstaart is slanker, langstaartiger, zit in struiken en heeft de héle staart roestrood, alleen met een donker midden.

Leefgebied

In de broedtijd kale, steile berghellingen tussen ruwweg 1200 en 4000 meter: rotsribben, puinhellingen, ravijnen en hooggelegen stenige weiden waar geiten en schapen alles kort houden. Buiten de broedtijd zakt hij ver af en zoekt hij lager, warmer en vlakker terrein op: stenige heuvels, halfwoestijn, wadibodems, braakliggende akkers en zoutvlaktes met verspreide struikjes. Overal geldt hetzelfde beeld: veel kale grond, wat stenen om vanaf te jagen, en niet meer dan dat.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Noordoost-Turkije, Armenië en Azerbeidzjan door Iran tot Afghanistan, Zuid-Tadzjikistan en West-Pakistan. De winter brengt hij door op het Arabisch Schiereiland, in Eritrea, in het zuiden van Irak en Iran en in Pakistan en Noordwest-India. Het broedgebied ligt vrijwel geheel ten oosten van het kaartgebied van deze gids: in Europa en in het Middellandse Zeegebied is hij alleen bekend als wintergast en dwaalgast in Israël, waar hij vrijwel jaarlijks in kleine aantallen wordt vastgesteld in de Arava, de Negev en het Dode Zeegebied. Verder westwaarts is hij nooit betrouwbaar gemeld.

Waar en wanneer kijken

Van november tot maart in de Arava of rond de Dode Zee, en dan met veel geduld. Zoek eerst de staart: laat de vogel opvliegen en let op het oranjerood van stuit en staartbasis. Werk daarna van voren naar achteren — vlak gezicht zonder masker, egaal grijsbeige onderdelen, geen spoor van zwart in de keel — en vergelijk het met een foto op je telefoon, want dit is bij uitstek een soort waarbij je de vogel later terug wilt kunnen kijken. Fotografeer zoveel mogelijk: keel, flanken en gespreide staart. Wie zonder foto's thuiskomt, houdt meestal alleen een vraagteken over.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd: het areaal in de bergen van Iran, Afghanistan en Centraal-Azië is groot en de populatie geldt als stabiel. Zoals bij zijn tegenhanger geldt dat de cijfers zwak zijn, omdat de twee soorten lang zijn samengenomen en het broedgebied nauwelijks systematisch wordt geteld. Plaatselijk kan overbegrazing hem juist helpen, want hij heeft kaal terrein nodig; wat hem eerder schaadt is grootschalige mijnbouw en de aanleg van wegen door de hooggebergtevalleien. In het gebied van deze gids is hij te zeldzaam om van een trend te kunnen spreken.