Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Koerdische tapuit
Koerdische tapuit | Oenanthe xanthoprymna
Kurdish wheatear | Collalba colirroja
Bij de koerdische tapuit is de staart niet wit maar roestrood. Dat ene gegeven maakt hem in het veld meteen apart van alles wat er verder in de Levant rondloopt — en tegelijk bijna onmogelijk te scheiden van de oostelijke roodstaarttapuit, waarmee hij tot in de jaren tachtig als één soort werd geteld. Hij broedt in de kale bergen van Zuidoost-Turkije en Noord-Irak en trekt daarna naar het zuiden; in Israël is hij een schaarse doortrekker en wintergast.
Geluid
De zang is kort en haastig: een krassend, wat piepend strofetje van twee tot drie seconden met een paar heldere fluittonen ertussen en soms wat nabootsing, gebracht vanaf een rotsblok of in een laag, fladderend zangvluchtje boven de helling. Hij zingt vooral in april, mei en juni en zwijgt daarna vrijwel. De roep is een hard tsjak-tsjak als tikkende steentjes, meestal ingeleid door een dun gefloten hwiet; in de winterkwartieren is dat vaak het enige geluid dat hij maakt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleine, kortstaartige tapuit in gedekte kleuren met één opvallend kenmerk: stuit en staartbasis zijn roestrood in plaats van wit. De bovendelen zijn egaal grijsbruin, de kruin iets grijzer, met een smalle witte wenkbrauwstreep. Het mannetje in broedkleed heeft kin en keel zwart, en dat zwart loopt door over de teugels en de oorstreek tot een masker dat scherp wordt afgesneden door een witte borst. De flanken en de onderstaartdekveren zijn oranjeroestig, de buik wit, en juist die grens tussen wit en oranje is bij hem hard. De staart is roestrood aan de basis met een brede zwarte eindband en zwarte middenveren, zodat de bekende omgekeerde T hier op een roestrode in plaats van een witte ondergrond ligt. Bij vrouwtjes en bij vogels buiten de broedtijd blijft van het masker een donkerbruine wangvlek over met een witte keel eronder, en zijn de onderdelen beiger. De vleugel is donkerbruin en draagt geen wit.
Verwarringssoorten
Alles draait om de oostelijke roodstaarttapuit. De twee delen precies datgene wat het eerst opvalt: de roestrode stuit, de roestrode staartbasis met de zwarte T, oranje onderstaartdekveren en egaal grijsbruine bovendelen. Aan het staartpatroon is niets te zien waarmee je ze uit elkaar houdt — de kleur en de hoeveelheid roest overlappen volledig, en wie het daarop probeert houdt zichzelf voor de gek. Wat wél telt zijn de keel en de buik. Een mannetje koerdische tapuit in broedkleed heeft zwart in de kin en de keel, en daaronder een wítte buik die hard afsteekt tegen oranje flanken; de oostelijke roodstaarttapuit heeft nooit zwart in de keel, hooguit een donkere teugel, en zijn onderdelen zijn egaal grijsbeige zonder scherpe grens. Bij vrouwtjes en najaarsvogels valt dat verschil grotendeels weg. De plek is dan het beste hulpmiddel: in Turkije en Noord-Irak is de koerdische tapuit de te verwachten vogel, in de Kaukasus en verder oostwaarts de andere, en in Israël komen ze allebei voor. Het eerlijke antwoord is dat een flink deel van de wintervogels naamloos blijft en in het notitieboekje als 'koerdische of oostelijke roodstaarttapuit' eindigt. Verder: de tapuit heeft een zuiver wit stuitvlak, de woestijntapuit een geheel zwarte staart, en de roodstuittapuit van de Noord-Afrikaanse woestijnen heeft wel een roestrode stuit maar een geheel zwarte staart en bij het mannetje een grijswitte kop.
Leefgebied
Kale, stenige berghellingen met weinig of geen struiken: puinhellingen, rotsribben, ravijnen en steile lösswanden, meestal tussen 1500 en 3000 meter, en in Turkije met een voorkeur voor hellingen die door schapen en geiten kort worden gehouden. Het nest zit in een gat in een aarden wal of onder een platte steen, vaak aan het einde van een korte gang. Buiten de broedtijd zakt hij af naar lager en warmer terrein: stenige halfwoestijnvlakten, wadibodems, akkerranden en zoutpannen, waar hij van de grond af jaagt met korte sprintjes tussen twee stenen door.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuidoost-Turkije, Noord-Irak en West- en Zuid-Iran, met de westgrens ruwweg bij de bovenloop van de Eufraat. Alle vogels trekken weg: ze overwinteren in Noordoost-Soedan en Eritrea, op het Arabisch Schiereiland en in het zuiden van Iran, en op weg daarheen passeren ze de Levant. In Israël is hij een schaarse doortrekker in oktober en november en opnieuw in februari en maart, met elke winter een klein aantal vogels in de Arava, de Negev en het Dode Zeegebied. In Europa ten westen van Turkije is hij niet vastgesteld; op de kaart raakt hij het gebied van deze gids dus alleen aan de zuidoostrand.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In de winter langs de Arava of in de Judeawoestijn: rijd langzaam een grindweg af en let op kleine, rechtopstaande vogeltjes die van steen naar steen wippen. Laat er een opvliegen en kijk naar de staart — de roestrode basis met de zwarte T sluit meteen de helft van alle tapuiten uit. Neem daarna de tijd voor de keel, want dáár valt de beslissing tussen de twee roodstaarttapuiten, en noteer eerlijk wat je niet hebt gezien. In mei is de zekerste plek een hoge bergweg in Zuidoost-Turkije, waar de mannetjes in vol broedkleed op de puinhellingen zingen en de zwarte keel er van ver af staat.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd: een ruim areaal in de bergen van Turkije, Irak en Iran, en een populatie waarvan geen achteruitgang bekend is. De onzekerheid zit vooral in de gegevens: het broedgebied ligt in moeilijk bereikbaar en deels onveilig terrein, zodat aantallen en trends nauwelijks te tellen zijn, en doordat de soort tot voor kort met de oostelijke roodstaarttapuit werd samengenomen zijn oudere cijfers moeilijk te gebruiken. Wat op de langere termijn kan tellen is het verdwijnen van extensieve schapen- en geitenbegrazing, want zonder begrazing groeien de kale hellingen dicht, en dan verdwijnt het korte, open terrein waar hij van leeft.



