Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Oostelijke rouwtapuit
Oostelijke rouwtapuit | Oenanthe lugens
Mourning wheatear | Collalba núbica
De oostelijke rouwtapuit is de zwart-witte vogel van de woestijnrand: een geheel witte kruin en nek boven een zwart gezicht, een zwarte mantel en een sneeuwwitte buik. Anders dan bijna alle andere tapuiten trekt hij niet weg. Hetzelfde paar houdt jaar in jaar uit dezelfde wadi in de Negev, de Judeawoestijn of het Jordaanse bergland bezet, en in december staat de vogel op precies dezelfde steen als in mei.
Geluid
De zang past bij de naam: een korte, weemoedige strofe van heldere, ietwat klaaglijke fluittonen, langzamer en zuiverder dan het gekras van de meeste tapuiten, met er tussendoor een paar droge, ratelende noten. Hij zingt vanaf een rotspunt, een muurtje of een telefoondraad, het meest in de vroege ochtend en vanaf januari tot in mei — vroeg in het jaar, want in de woestijn begint het broedseizoen vroeg. De roep is een hard tsjak als tikkende kiezels en een dun, opgaand hwiet; bij onraad gaat dat over in een snelle reeks tikken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleine, contrastrijke tapuit die opvallend rechtop staat en veel knikt. Kruin en nek zijn zuiver wit en het wit loopt tot ver op de nek door; teugels, oorstreek, kin, keel en bovenborst zijn pikzwart en gaan zonder onderbreking over in een zwarte mantel, zwarte schouderveren en zwarte vleugels. De onderdelen zijn helderwit, en daar zit het beste kenmerk: de onderstaartdekveren zijn warm oranjebeige tot roestbeige, een zacht gekleurd vlekje onder een verder streng zwart-witte vogel. De staart is wit aan de basis met een brede zwarte eindband en een lange zwarte middenstreep — de bekende omgekeerde T, maar met meer zwart erin dan bij de tapuit. Van onderen oogt de vleugel niet egaal donker: over de slagpennen ligt een bleke baan. Het vrouwtje verschilt nauwelijks van het mannetje en is alleen wat doffer en bruinzwart waar hij pikzwart is. Jonge vogels zijn geschubd door lichte veerzomen, maar dragen het oranjebeige onder de staart al.
Verwarringssoorten
De bonte tapuit is de lastigste, want ook die heeft een witte kruin en een zwarte keel. Bij hem gaat de kruin naar achteren toe in grijswit over, is het zwart van de keel in een punt naar de borstzijden uitgetrokken en zijn de onderdelen zuiver wit tot onder de staart toe, zonder dat oranjebeige vlekje; bovendien zit er minder zwart in zijn staart, want de eindband is smaller. De kalender helpt mee: de bonte tapuit is in de Levant een doortrekker van maart en april en van september, terwijl de oostelijke rouwtapuit het hele jaar op dezelfde helling zit. De cyprustapuit heeft een roomwitte kruin en beige tot abrikooskleurige onderdelen en broedt uitsluitend op Cyprus. Finsch' tapuit, die in dezelfde woestijnen overwintert, is groter en zwaarder en heeft behalve de kruin ook de hele mantel en rug wit, zodat het zwart beperkt blijft tot gezicht, keel en vleugels. De witkruintapuit is fors en geheel zwart, op een witte kruin en een witte staartbasis na, en mist de witte buik volledig. In de basaltwoestijn van oostelijk Jordanië en zuidelijk Syrië zit een vrijwel geheel zwarte vorm met een donkere kruin, die door een deel van de handboeken als aparte soort wordt behandeld. Ten slotte dragen de zwartkelige vormen van de westelijke en de oostelijke blonde tapuit ook een zwarte keel, maar hun kruin en mantel zijn zandkleurig en hun staart is grotendeels wit.
Leefgebied
Rotsige woestijn en halfwoestijn met reliëf: wanden en randen van wadi's, steile hellingen met blokken, puinhellingen, ravijnen, kliffen en erosiegeulen, van beneden zeeniveau bij de Dode Zee tot ruim boven de duizend meter in het Jordaanse bergland. Kaal, stenig terrein met een handvol uitkijkposten volstaat; struiken heeft hij niet nodig. Het nest zit diep in een rotsspleet of onder een overhangend blok, vaak achter een klein plaveisel van steentjes dat het paar zelf voor de opening legt. Ook oude ruïnes, dorpsmuren en verlaten steengroeven worden bewoond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van de Egyptische Oostelijke Woestijn en de Sinaï door Israël, Jordanië en Syrië tot Irak en Iran; verwante vogels van Marokko tot Libië worden sinds kort als een aparte soort behandeld. In het gebied van deze gids is hij een standvogel van de Negev, de Judeawoestijn, de rift langs de Dode Zee en het bergland van Jordanië en zuidelijk Syrië, overal in lage dichtheden maar zeer honkvast: territoria worden het hele jaar verdedigd en paren blijven bij elkaar. Naar Europa komt hij niet, en zelfs binnen het Middellandse Zeegebied is hij nooit ten westen van de Levant vastgesteld. Op de kaart is dat te zien als een smalle band langs de oostrand van het gebied.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eerste twee uur na zonsopgang bij Sde Boker, Ein Avdat of de rand van de Ramonkrater in de Negev. Ga op de rand van een wadi staan en laat het licht het werk doen: een vogel die zwart-wit oplicht tegen zandkleurige rots is op driehonderd meter al te zien, en zodra hij vliegt springt het witte staartveld eruit. Wacht daarna op het moment dat hij zich omdraait — dan zie je het oranjebeige onder de staart, en daarmee is de determinatie rond. In Jordanië lukt hetzelfde bij Petra en langs de Kings Highway, waar de vogels aan mensen gewend zijn en tot op tien meter blijven zitten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd: een groot areaal en een populatie die over het geheel stabiel is, al zit hij overal in lage dichtheden. De druk is plaatselijk. Steengroeven, wegenbouw, militaire oefenterreinen en de aanleg van hotels en uitkijkpunten in de woestijn vernietigen precies wat hij nodig heeft: rotswanden met spleten. Off-road rijden verstoort broedende paren, en waar wadi's als vuilstort worden gebruikt neemt het aantal kraaien en katten toe. Daar staat tegenover dat de woestijn van de Negev en van zuidelijk Jordanië grotendeels beschermd is en dat de soort zich in oude ruïnes en verlaten dorpen goed weet te redden.



