Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Finsch' tapuit

Finsch' tapuit | Oenanthe finschii

Finsch's wheatear | Collalba de Finsch

Finsch' tapuit is de gedrongen, stierennekkige zwart-witte tapuit van de kale steenhellingen van Anatolië. Wie hem binnen het kaartgebied wil zien moet in de winter naar Cyprus of naar de Levant, want dan zakt hij af naar de steppen en de woestijnranden en houdt daar in zijn eentje een stuk stenige grond bezet — één vogel per helling, de hele winter dezelfde.

Finsch' tapuit (Oenanthe finschii)
Foto: Dûrzan cîrano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort, luid en helder: een strofe van twee tot vier seconden die begint met een paar harde, krassende noten en overgaat in een aantal zuivere, wat weemoedige fluittonen die aan het eind dalen, van een steen of een rotsblok gebracht en soms vanuit een korte, stijgende zangvlucht die met gespreide staart wordt afgesloten. Hij zingt van maart tot in juni, ook midden op de dag. De roep is een hard tsjak, vaak in reeksen, en een dun gefloten hwiet. In de winterkwartieren is hij grotendeels stil, op het harde tsjak na waarmee hij zijn territorium tegen soortgenoten verdedigt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Middelgrote maar zwaargebouwde tapuit met een dikke nek, een grote kop en een korte vleugel; hij oogt topzwaar en gedrongen naast de slanke tapuit. Het mannetje is scherp zwart-wit: een zuiver witte kruin die over het achterhoofd tot in de nek doorloopt, en daaronder één ononderbroken zwart vlak dat gezicht, keel, bovenborst, halszijde, mantel, schouders en vleugels omvat. Onderdelen en stuit zijn helderwit. De staart heeft veel zwart: op een witte basis staat een brede zwarte eindband die ongeveer een derde tot de helft van de staart beslaat, en het zwart kruipt bovendien langs de buitenste pennen omhoog, zodat het wit krap oogt. Het vrouwtje is grijsbruin tot zandkleurig van boven met een bleke kruin en een roomkleurige tot licht okerkleurige onderzijde, vaak met een vuilgrijze tot zwartachtige keelvlek, en toont precies dezelfde brede eindband. In het najaar dekken lichte veerzomen het zwart bij het mannetje deels af en oogt hij bruinig geschubd.

Verwarrings­soorten

De bonte tapuit is het echte probleem: ook wit op kruin en nek, ook een zwarte keel die zonder onderbreking overgaat in een zwarte mantel, ook witte onderdelen. Drie dingen beslissen. Ten eerste de staart: bij Finsch' tapuit is de zwarte eindband breed en loopt het zwart langs de buitenste pennen omhoog, zodat het wit tot de basis beperkt blijft; bij de bonte tapuit is de band smal en reikt het wit ver naar achteren, met het zwart geconcentreerd in een middenwig. Ten tweede de bouw: Finsch' tapuit is korter van vleugel en van staart en zwaarder gebouwd, met een dikke nek en een korte handpenprojectie, waar de bonte tapuit slank en langvleugelig is. Ten derde de kalender, en die is in het veld het bruikbaarst: in de Levant en op Cyprus is een zwart-witte tapuit tussen november en maart altijd Finsch' tapuit, want de bonte tapuit trekt daar alleen in het voorjaar en het najaar door en overwintert er niet. De rouwtapuit van de woestijnkloven heeft oranjebeige onderstaartdekveren en een smallere eindband en zit tegen rotswanden in plaats van op open stenige hellingen. De monnikstapuit heeft helemaal geen zwarte eindband, is langer van staart en snavel en heeft een langere, lossere vlucht. De cyprustapuit, die alleen in de zomer op Cyprus zit, heeft een crèmekleurige kruin en duidelijk beige tot abrikooskleurige onderdelen. De oostelijke blonde tapuit heeft in zijn zwartkelige vorm ook een zwarte keel, maar zijn mantel blijft licht en zijn staart is grotendeels wit. Bij vrouwtjes komt het weer op de brede eindband, de gedrongen bouw en de plaats en de tijd van het jaar neer.

Leefgebied

Kale, droge en stenige berghellingen: puinhellingen en steenglooiingen, erosiehellingen met verspreide rotsblokken, rotsige bergsteppe met lage doornstruiken, en de bovenrand van verlaten akkerterrassen. Vegetatie moet er zijn, maar alleen als losse pollen; gesloten grasland is voor hem onbruikbaar. In Turkije en Iran broedt hij tussen ruwweg vijfhonderd en drieduizend meter. Het nest zit onder een platte steen, in een spleet of in een muurtje van losse stenen; net als veel andere tapuiten legt hij daarbij vaak een klein plaveisel van steentjes voor de ingang. In de winter zakt hij naar lager en vlakker terrein: stenige vlakten, wadiranden, braakliggende akkers, amandelgaarden en de omgeving van dorpen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Midden- en Oost-Turkije, van de vlakte van Konya oostwaarts tot het Vanmeer, en verder van Syrië en de Kaukasus door Iran tot Turkmenistan en Afghanistan. In de winter verschuift het zwaartepunt naar het zuidwesten: dan is hij een regelmatige maar nooit talrijke wintergast in Israël, de Palestijnse Gebieden, Jordanië, Libanon en Syrië, en op Cyprus, waar de waarnemingen strikt tussen oktober en maart vallen en er tussen mei en september geen enkele is. In Turkije zelf blijft een deel van de vogels in de lager gelegen zuidelijke dalen overwinteren. Naar Griekenland en de Egeïsche eilanden komt hij zelden, verder naar West-Europa hoogst zelden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Twee momenten. In januari en februari op Cyprus, op de stenige braakvelden van de Mesaoria of rond het zoutmeer bij Larnaca, en in dezelfde weken in de Judeawoestijn en de noordelijke Negev: zoek een zwart-witte vogel die in zijn eentje op een steenhelling zit en elke andere tapuit wegjaagt — dat solitaire territoriumgedrag in de winter is zelf een aanwijzing. Laat hem opvliegen en let alleen op hoeveel zwart er in de staart zit. En in mei op de Anatolische hoogvlakte, bijvoorbeeld bij Nemrut, Van of in Cappadocië: dan zingt hij vanaf de rotsblokken op de kale hellingen boven de dorpen, en zit hij vaak minutenlang stil op dezelfde steen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd: een groot areaal van Turkije tot Afghanistan, een grote populatie en geen aanwijzing voor een snelle afname. Hij profiteert eerder van extensieve begrazing dan dat hij eronder lijdt, want schapen en geiten houden de hellingen kaal en open. Waar het misgaat is waar stenige hellingen worden ontgonnen of bebost, waar oude terrassen en stenen muurtjes worden opgeruimd — daarmee verdwijnen zijn nestplaatsen — en waar bergsteppe wordt omgezet in geïrrigeerd bouwland. In de winterkwartieren in de Levant is hij nooit talrijk geweest, en de aantallen daar zeggen meer over de weersomstandigheden in Anatolië dan over de toestand van de soort.