Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Zwartstaart

Zwartstaart | Oenanthe melanura

Blackstart | Colinegro real

De zwartstaart is de tamste vogel van de woestijn. Hij zit op de leuning van het pad bij Ein Gedi, op de treden van Masada en op de tafel van een woestijnherberg, en laat mensen tot op een meter naderen. Van dichtbij is hij een onopvallende grijze vogel, tot hij zijn staart openwaaiert: die is gitzwart, en dat maakt hem in één beweging onmiskenbaar.

Zwartstaart (Oenanthe melanura)
Foto: Artemy Voikhansky — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is kort en verrassend melodieus voor zo'n grijs vogeltje: een reeks van vier tot acht heldere, weemoedige fluittonen die aan het eind wegzakt, met een paar drogere krasjes ertussen, en die met tussenpozen van een halve minuut wordt herhaald. Hij zingt vanaf een rotsblok, een acaciatak of een dakrand, vooral in het eerste uur na zonsopgang en opnieuw in de schemering, en in het voorjaar ook wel midden op de dag. De roep is een dun, klagend tsiep en, bij onraad, een hard ratelend trrrt. Te horen in alle maanden van het jaar.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Kleine, egaal asgrijze zangvogel zonder tekening: kruin, mantel, borst en buik lopen zonder contrast in elkaar over, hooguit iets bleker op de keel en de buik. De vleugel is nauwelijks donkerder dan de rug. Snavel en poten zijn zwart en fijn. Het enige kenmerk dat de vogel bezit is de staart, en die is dan ook doorslaggevend: geheel zwart, zonder wit aan de basis, zonder witte zijranden en zonder eindband, en er is ook géén wit stuitvlak — de grijze rug loopt gewoon door tot in het zwart. De vogel houdt de staart zelden stil: hij spreidt hem tot een waaier, laat hem zakken en klapt hem weer dicht, tientallen keren per minuut, en dat trage open- en dichtwaaieren is op afstand vaak het eerste wat opvalt. Mannetje en vrouwtje zijn gelijk, en jonge vogels verschillen alleen door vage lichte spikkels op de rug.

Verwarrings­soorten

Geen enkele andere vogel van het gebied is egaal grijs én heeft een geheel zwarte staart zónder wit stuitvlak; dat is de hele determinatie. Waar het wél misgaat is bij de andere zwartstaartige soorten. De woestijntapuit heeft ook een zwarte staart, maar daarboven een romig witte stuit die scherp tegen dat zwart afsteekt, en hij is zandkleurig in plaats van grijs; het mannetje heeft bovendien een zwarte keel. De roodstuittapuit heeft eveneens een zwarte staart, maar is groter en zwaarder, heeft een roestbruine stuit, en het mannetje een zwart masker en het vrouwtje een roestrode kop. Het vrouwtje van de zwarte roodstaart, die in de Levant overwintert, is grijsbruin en lijkt op afstand goed op een zwartstaart, maar haar staart is roestrood en niet zwart — bij twijfel is dat het enige wat u hoeft te zien. De grauwe vliegenvanger is bruiner, heeft een gestreepte kruin en borst, zit rechtop stil te wachten in plaats van te huppen, en waaiert nooit met de staart.

Leefgebied

Rotsige woestijnwadi's met wat groen erin: kloven en canyons met verticale wanden, puinhellingen, droogvallende beddingen met acacia's, kappertjesstruiken en oleander, en de omgeving van bronnen en oases. Waar in de woestijn water is, is hij er ook. Hij mijdt de kale open vlakte en heeft altijd twee dingen nodig: rots om in te nestelen — het nest zit in een spleet, onder een steen of in een gat in een aarden wand — en struiken of bomen om laag boven de grond in rond te scharrelen. Van ruim vierhonderd meter beneden zeeniveau bij de Dode Zee tot in de bergen van de Sinaï, en hij is opvallend honkvast bij menselijke bebouwing: veldscholen, parkeerplaatsen, dadeltuinen en woestijnkampen horen bij zijn leefgebied.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

In het kaartgebied is hij de gewone vogel van de Jordaanslenk en de aangrenzende woestijnen: de Judeawoestijn, de Dode Zee-kust, de Negev en de Arava in Israël en de Palestijnse Gebieden, de wadi's van Dana, Petra en Wadi Rum in Jordanië, en de Sinaï en de bergen langs de Rode Zee in Egypte. Naar het noorden reikt hij tot in het zuiden van Syrië. Daarbuiten loopt zijn areaal door over het Arabisch Schiereiland naar Jemen en Oman en over de Rode Zee naar Soedan, Eritrea en Ethiopië. Hij is standvogel in de striktste zin: dezelfde vogels houden hetzelfde stuk wadi jaar in jaar uit bezet, en van trek of winterverplaatsing is geen sprake. In Israël leveren waarnemers hem in alle twaalf maanden in vrijwel gelijke aantallen.

  • Jaarrond
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Elke maand van het jaar, en het makkelijkst waar de mensen zijn. Loop het pad van Nahal David bij Ein Gedi op, of sta bij de kabelbaan aan de voet van Masada, of drink koffie bij een herberg in de Arava: binnen een kwartier zit er een grijs vogeltje op twee meter afstand met zijn staart open en dicht te waaieren. Kijk dan naar de stuit en niet alleen naar de staart, want juist het ontbreken van een wit stuitvlak scheidt hem van elke tapuit. Voor de zang moet u er vroeg zijn: het eerste uur na zonsopgang in een wadi met acacia's, wanneer het nog koel is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een groot areaal en een populatie die als stabiel geldt; plaatselijk is hij ronduit talrijk. Twee dingen zijn het bekijken waard. Het eerste is het water: de bronnen en oases van de Jordaanslenk staan onder druk door onttrekking voor landbouw en drinkwater, en waar een bron opdroogt verdwijnt de begroeiing waar hij van leeft. Het tweede zijn de acacia's van de Arava, die op veel plaatsen afsterven doordat het grondwater daalt en het incidentele overstromingswater wordt afgevangen; met die bomen verdwijnt een deel van zijn insectenvoorraad en van zijn schaduw. Zolang de wadi's hun rotsen, hun struiken en hun water houden, is er voor de soort zelf geen reden tot zorg.