Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodstuittapuit
Roodstuittapuit | Oenanthe moesta
Red-rumped wheatear | Collalba culirroja
De roodstuittapuit is de tapuit van de vlakke, kale woestijnbodem, waar geen rots en geen struik boven het maaiveld uitkomt. Hij is fors en grootkoppig, hij graaft zijn eigen nestgang in een zandheuveltje onder een lage struik, en hij is de enige tapuit waarbij het vrouwtje een roestrode kop heeft — bij alle andere soorten is het juist het mannetje dat de tekening draagt.
Geluid
De zang is een korte, rommelige strofe van harde, ratelende en zoemende tonen met daartussen een paar heldere fluitjes en flarden nabootsing van medebewoners van de vlakte, gebracht vanaf een lage struik, een steen of een telefoondraad, en soms in een lage, fladderende zangvlucht. Het geheel klinkt zwaarder en droger dan de zang van de tapuit. De roep is een hard tsjak en een rollend, snorrend tsjrrr dat bij onraad wordt aangehouden. Te horen van februari tot in mei, het luidst in de eerste twee uur na zonsopgang.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Stevige, forsgebouwde tapuit met een grote kop, een korte vleugel en een geheel zwarte staart. Het mannetje heeft een lichtgrijze kruin en nek met daaronder een smalle witte wenkbrauwstreep, en daaronder weer een zwart masker dat teugel, oorstreek, kin, keel en bovenborst in één zwart vlak samenneemt en langs de halszijde doorloopt tot op de donkergrijze mantel. De onderdelen zijn wit, de vleugel zwartbruin met brede lichte zomen en een wit vleugelvlak. Stuit en bovenstaartdekveren zijn warm roestbruin, en de staart is van basis tot punt zwart, zonder wit en zonder eindband. Het vrouwtje draagt geen zwart: kop, keel en halszijde zijn warm roestrood tot kaneelkleurig, de mantel is grijsbruin, de onderdelen zijn roomwit, en stuit en staart hebben precies hetzelfde patroon als bij het mannetje. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar bleker en vaag geschubd.
Verwarringssoorten
De staart eerst: een tapuit met een van boven tot onder zwarte staart, zonder een spoor van wit aan de basis, kan in Noord-Afrika en de Levant alleen de roodstuittapuit of de woestijntapuit zijn. Die twee scheidt de stuit. Bij de roodstuittapuit is de stuit warm roestbruin, bij de woestijntapuit roomwit tot bleek zandkleurig, en dat verschil is in vlucht meteen te zien. Daarbij is de woestijntapuit kleiner en slanker, zandkleurig van boven in plaats van grijs, en zijn zwarte keel loopt door tot op de schouder zonder dat er een grijze kruin boven staat. Het vrouwtje van de woestijntapuit is egaal zandkleurig, zonder ook maar een zweem van het roestrood dat het vrouwtje van de roodstuittapuit over kop en keel draagt. De tapuiten van Turkije en Iran met een roestrode stuit — de koerdische tapuit en de oostelijke roodstaarttapuit — hebben wél een lichte staartbasis met een zwarte eindband erboven, dus de omgekeerde T, en hun areaal raakt dat van deze soort niet. De tapuit, de izabeltapuit en beide blonde tapuiten tonen allemaal een breed wit vlak op stuit en staartbasis en vallen daarmee af.
Leefgebied
Vlak, kaal en zacht woestijnland, en uitdrukkelijk niet de rotsen: zandige en lemige halfwoestijnvlaktes met verspreide lage zoutplanten, de randen van chotts en sebkha's, oude rivierbeddingen, hamada met een dun laagje grind, en verlaten braakland aan de woestijnrand. Hij heeft losse bodem nodig, want hij graaft zijn nestgang zelf — vaak een tunnel van een halve meter in een zandkegel onder een struik — of neemt de gang van een gerbil of woestijnrat over. Vrijwel altijd beneden de duizend meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt ligt in de Maghreb: van de zuidflank van de Hoge Atlas en de Anti-Atlas in Marokko door de Algerijnse Sahara-rand naar het zuiden van Tunesië, en verder oostwaarts door Libië naar Egypte. In het oosten van het kaartgebied is hij veel schaarser: in Israël en Jordanië gaat het om een kleine populatie in de noordwestelijke Negev en de Arava, en de meldingen concentreren zich sterk in het winterhalfjaar. Buiten het kaartgebied loopt zijn areaal door over Syrië en Irak naar het noorden van het Arabisch Schiereiland en West-Iran. Hij is standvogel; buiten de broedtijd zwerft hij binnen de vlakte, maar echte trek is er niet.
- Jaarrond
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Maart en april op de Tagdilt-piste bij Boumalne Dadès in Marokko, of op de vlakten bij Douz en Ksar Ghilène in Tunesië. Rijd stapvoets over een grindvlakte met verspreide lage struiken en zoek een forse, grootkoppige vogel die vanaf de grond opvliegt en op een struiktop gaat zitten. Laat hem vliegen en kijk in dat ene ogenblik naar twee dingen tegelijk: is de staart geheel zwart, en is de stuit roestbruin of romig wit? Daarmee is de soort rond. Treft u een paar, blijf dan even staan — het vrouwtje met haar roestrode kop is het mooiste wat de vlakte te bieden heeft.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd: een groot areaal van Marokko tot Iran en een populatie die als stabiel wordt beschouwd. In de kern van dat areaal is hij plaatselijk gewoon. De druk zit aan de randen en is overal dezelfde: de omzetting van halfwoestijn in geïrrigeerde landbouw, overbegrazing door te grote kuddes waardoor de lage struiken verdwijnen waaronder hij graaft, en de aanleg van wegen en zonneparken op juist die vlakke, kale terreinen die hij nodig heeft. In Israël en Jordanië, aan de oostrand, gaat het om enkele tientallen tot enkele honderden vogels, en die kleine voorpost is kwetsbaarder dan het wereldwijde oordeel doet vermoeden.



