Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Zwartkeellijster
Zwartkeellijster | Turdus atrogularis
Black-throated thrush | Zorzal papinegro
De zwartkeellijster is de westelijkste van de Siberische lijsters en de enige van de drie die binnen het gebied van deze gids een eigen winterkwartier heeft: hij broedt in de Oeral en West-Siberië en trekt naar Irak, Iran en verder oostwaarts tot in de Himalaya. In Noordwest-Europa is hij een gezochte dwaalgast, en anders dan de meeste Siberische zwervers verdwijnt hij niet na twee dagen — een vogel die eenmaal een goede bessenstruik of een grasveld met wormen heeft gevonden, blijft er soms twee maanden zitten. Nederland heeft dertien aanvaarde gevallen, negen daarvan sinds 2000.
Geluid
Op trek en in het winterkwartier hoor je twee geluiden. Het eerste is een dun, gerekt en licht dalend sieh, dat aan een koperwiek doet denken maar zachter en voller klinkt; het tweede een hard, ratelend tsjak-tsjak-tsjak, als van een ingehouden kramsvogel, dat losbarst zodra een troep opvliegt. Een verstoorde vogel geeft een kort, droog tuk. De zang, in dit gebied vrijwel nooit te horen, is een eenvoudige reeks korte, wat weemoedige fluitmotieven van twee of drie tonen, elk gevolgd door een pauze en afgesloten met een droog gekwetter; in de Oeral klinkt hij van mei tot juli, meestal vanaf de top van een spar.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een forse lijster, iets kleiner dan een kramsvogel maar slanker en langer gestaart. Alle bovendelen hebben één en dezelfde kleur: kruin, mantel, vleugels, stuit en staart zijn effen koel grijsbruin, zonder kastanjebruine mantel, zonder roestrood vleugelpaneel en zonder enig kleurverschil tussen rug en staart. Het mannetje draagt teugel, keel en bovenborst gitzwart, als een strak afgesneden bef tegen een zuiver witte buik; in verse winterveren zijn die zwarte veren licht gezoomd, zodat de bef geschubd oogt en pas tegen het voorjaar egaal wordt. Vrouwtjes en eerstejaars vogels hebben in plaats van de bef een witte keel met een donkere baardstreep en rijen zwarte vlekken die op de bovenborst tot een halsband samenvloeien, met daarboven een vage lichte wenkbrauwstreep. Flanken grijs en vrijwel ongetekend, buik en onderstaartdekveren wit, snavel geel met een donkere punt, poten donker. Eén warme kleur heeft de vogel wel: de ondervleugeldekveren zijn oranjeroestbruin, en die lichten bij het opvliegen op tegen een verder grauwe lijster.
Verwarringssoorten
De bruine lijster is de soort waar het om draait — zie ook zijn eigen pagina, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant is beschreven. De beslissing valt op de vleugel: de bruine lijster heeft een breed roestrood paneel over de dekveren en de armpennen, roestrood op de stuit en roestrode zomen in de staart, terwijl bij de zwartkeellijster geen enkele veer op de bovendelen warm gekleurd is. De bruine lijster heeft bovendien een scherp getekende kop met een brede witte wenkbrauwstreep, een witte baardstreep en een donkere oorstreek, en over borst én flanken zwarte maantjes op wit in plaats van een gesloten bef of een simpele halsband. Wat hier juist níét helpt is de ondervleugel: die is bij beide roestbruin. Bij vrouwtjes en eerstejaars vogels ligt de valkuil op de loer, en dan blijft de vleugel de beslissing. De roodkeellijster Turdus ruficollis, die vroeger met de zwartkeellijster als één soort werd geteld en sinds omstreeks 2010 in de wereldlijsten apart wordt behandeld, heeft dezelfde grijze bovendelen maar een roodbruine keel en borst en roodbruine buitenste staartpennen; waar de twee elkaar raken komen tussenvormen voor die in het veld nauwelijks te benoemen zijn. Kramsvogel is forser, met grijze kop en stuit tegen een kastanjebruine mantel en een spierwitte ondervleugel; merel mist elke tekening. De grote gevlekte Aziatische lijsters, die in dezelfde weken kunnen opduiken, verraden zich altijd door de brede zwart-witte band over de ondervleugel — iets wat geen enkele Turdus-lijster heeft.
Leefgebied
Broedt in de taiga van de Oeral en West-Siberië: sparren-, dennen- en lariksbos met een dichte ondergroei, berkenbos en gemengd bos, en in de bergen tot in het kromme subalpiene berken- en wilgenstruweel boven de boomgrens. Langs de rivieren zoekt hij wilgen- en elzenstruweel op. Foerageert lopend op de bosbodem, tussen mos en strooisel. Het winterkwartier is veel opener: open bos en boomgroepen op berghellingen, boomgaarden, terrasakkers en struweel met duindoorn, jeneverbes en lijsterbes. De dwaalgasten in Europa belanden vrijwel altijd in bessendragende hagen, boomgaarden en dorpstuinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van de Oeral oostwaarts tot de Jenisej en zuidwaarts tot in de Altai en de bergen van Centraal-Azië. De westgrens van het broedareaal ligt op de westhelling van de Noordelijke en Poolural, net buiten de oostrand van de kaart in deze gids. Overwintert in de zuidoosthoek van het gebied — Iran en Irak, met kleinere aantallen in Oost-Turkije, Israël, Koeweit en langs de Golf — en verder oostwaarts in Afghanistan, Pakistan, Noord-India en Nepal. Naar het westen toe is hij dwaalgast, met bijna jaarlijks vogels in Finland, Zweden en Groot-Brittannië. De dertien Nederlandse gevallen lopen van maart 1981 bij Groningen tot een vogel in de stad Utrecht van 31 maart tot 3 april 2020. Opvallend is hoe lang ze blijven: Den Helder van 4 januari tot 20 maart 1996, Oldambt van 21 januari tot 3 april 2018, Coevorden van 27 januari tot 18 maart 2019.
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Deze soort zoek je zelden zelf; je gaat erheen. De Nederlandse gevallen vallen opvallend vaak in januari en februari en opvallend vaak in bebouwd gebied: een plantsoen, een schoolplein, een rij lijsterbessen langs een fietspad. Reken erop dat de vogel weken blijft, ga bij het eerste licht, blijf op de stoep en laat de bewoners met rust. Kijk ter plaatse eerst naar de vleugel en pas daarna naar de keel — de effen grijsbruine vleugel zonder een spoor van roestrood is het kenmerk dat ook bij een vrouwtje standhoudt. Wie hem zelf wil vinden, werkt in de late herfst grote troepen kramsvogels en koperwieken af op zoek naar één vogel die grauwer is dan de rest en bij het opvliegen een roestbruine ondervleugel toont.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Het broedareaal is uitgestrekt en de aantallen zijn groot; over de trends in de Siberische taiga is weinig bekend, simpelweg omdat er nauwelijks geteld wordt. Van belang voor de trede is dat de Rode Lijst de zwartkeellijster inmiddels apart beoordeelt en niet meer onder de ruime Turdus ruficollis schaart: de soort heeft een eigen beoordeling, en die luidt niet bedreigd. Voor het gebied van deze gids is hij méér dan een dwaalgast — in Iran en Irak overwintert hij regelmatig, en om die reden staat hij hier als wintergast. In Noordwest-Europa gaat het uitsluitend om losse vogels. Het aantal gevallen loopt daar op, maar dat komt vermoedelijk vooral doordat er meer wordt gekeken en doordat de soort sinds omstreeks 2010 apart wordt geteld.




