Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Atlasvliegenvanger
Atlasvliegenvanger | Ficedula speculigera
Atlas pied flycatcher | Papamoscas del Atlas
De vliegenvanger van de cederbossen van de Atlas: dezelfde vorm en hetzelfde gedrag als de bonte vliegenvanger, maar het mannetje is zwarter, met meer wit in de vleugel en een breed wit voorhoofd. Hij broedt alleen in Marokko, Algerije en Tunesië en wordt sinds het begin van deze eeuw als aparte soort behandeld, op grond van zang en genetisch onderzoek. Voor wie in mei door een Marokkaans cederbos loopt is hij een van de opvallendste vogels van het bos.
Geluid
De zang is de betrouwbaarste scheiding van alle, en wie hem eenmaal heeft gehoord vergist zich niet meer. Waar de bonte vliegenvanger tussen twee toonhoogtes heen en weer springt en met een opgaand slot eindigt, levert de atlasvliegenvanger een korter, harder en veel ritmischer strofe af: drie tot vijf gelijkvormige, scherp geaccentueerde tonen op nagenoeg dezelfde hoogte, als een klein hameren — tsjie-tsjie-tsjie-tsjuu — met minder melodie en meer nadruk. Hij zingt vanaf een dode tak halverwege de kroon, van eind maart tot begin juni en het felst in de twee weken na aankomst. Roep een scherp bit en bij onrust een droog tek.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Klein, compact en kortstaartig, rechtop op een lage tak, vanwaar hij uitvalt en meestal op een andere tak terugkeert, terwijl hij met vleugel en staart tikt. Het mannetje in broedkleed is diep, dof zwart van boven — zonder bruine waas — en zuiver wit van onder. De witte vleugelvlek is groot en loopt als een lange wig ver over de handpenbasis door, veel verder dan bij de bonte vliegenvanger; de tertials dragen brede witte zomen. Op het voorhoofd staat een breed wit vlak, meestal één blok in plaats van twee losse stippen. In de staart is het wit beperkt, vaak alleen een smalle rand aan de buitenste veren. Het vrouwtje is grijsbruin waar het mannetje zwart is, met dezelfde vleugelvlek maar kleiner, en zonder wit voorhoofd. In het najaar lijken alle vogels op het vrouwtje.
Verwarringssoorten
Alles draait om de bonte vliegenvanger, en het verschil zit in drie dingen, in deze volgorde. Ten eerste de omvang van het wit op de hand: bij de atlasvliegenvanger loopt het witte veld als een spits toelopende wig ver de handpennen op, bij de bonte vliegenvanger stopt het kort na de basis. Ten tweede het voorhoofd: één breed wit blok tegenover een of twee kleine stippen. Ten derde de tint van de bovendelen: dof, egaal zwart tegenover een zwart dat vrijwel altijd bruinig doorschemert, zeker bij oudere veren. Het vrouwtje is een verloren zaak — in het veld valt het niet van een vrouwtje bonte vliegenvanger te scheiden, en wie er een claimt, claimt in feite de plaats en de datum. Dat is meteen het praktische houvast: in de broedtijd, van april tot juli, is elke broedende bonte vliegenvanger in het Atlasgebergte en het Rifgebergte een atlasvliegenvanger, terwijl in augustus en september noordelijke bonte vliegenvangers massaal door dezelfde bossen trekken en een najaarsvogel dus niet op kleed te benoemen valt. De withalsvliegenvanger en de balkanvliegenvanger komen in de Maghreb niet voor; de grauwe vliegenvanger, die er wel broedt, is groter, egaal grijsbruin, gestreept op kruin en borst en heeft geen witte vleugelvlek.
Leefgebied
Oud bergbos van de Atlas en de Rif, ruwweg tussen duizend en tweeduizendvierhonderd meter, met veel dood hout en holtes: de cederbossen van de Midden-Atlas, de bossen van Algerijnse eik en Portugese eik, gemengd bos van ceder met eik, en plaatselijk kurkeik en steeneik. Het nest zit in een boomholte of in een oud spechtengat, en waar nestkasten hangen worden die net zo gretig gebruikt als in Europa. Op trek ruimer, in tuinen, oases en kustbosjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Marokko, Noord-Algerije en Noordwest-Tunesië, met het zwaartepunt in de Midden-Atlas rond Ifrane en Azrou, verder in de Hoge Atlas, het Rifgebergte en de Kabylie. Alle vogels verlaten het gebied in augustus en september en overwinteren in West-Afrika; in het voorjaar keren ze vanaf eind maart terug. Buiten het broedgebied is de soort nauwelijks vast te stellen, want hij trekt door dezelfde streken als de bonte vliegenvanger; er zijn enkele op zang of vangst vastgestelde gevallen in Zuid-Europa, onder meer in Italië en op Malta, maar hoeveel er werkelijk langs Iberië trekken is onbekend.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Het cederbos van Azrou of het Nationaal Park Ifrane, in de tweede helft van april of begin mei, tussen zonsopgang en negen uur. Zoek de oude ceders met dode takken en luister eerst; het harde, ritmische strofetje verraadt hem eerder dan het oog hem vindt. Heb je de zanger gevonden, kijk dan meteen naar de gesloten vleugel en zoek de lange witte wig op de handpennen — dat is het kenmerk dat op een foto standhoudt. In hetzelfde cederbos zit Levaillants specht, dus het is sowieso de moeite waard er een ochtend voor uit te trekken.
Staat van instandhouding
De categorie hierboven is die van de bonte vliegenvanger. BirdLife, dat de vogels voor de Rode Lijst beoordeelt, houdt de atlasvliegenvanger nog bij die soort, en beoordeelt hem dus niet apart; de gids toont daarom de categorie van de ruimere soort in plaats van “niet beoordeeld”, want beoordeeld is hij wel — alleen onder een ruimer soortbegrip. Het areaal is klein maar de soort is er binnen zijn bosgordel algemeen, en in goed cederbos zijn de dichtheden hoog. De zorg zit in het bos zelf: de Atlasceder gaat achteruit door aanhoudende droogte, overbegrazing door geiten en schapen, illegale kap en sterfte van oude bomen, en juist die oude, halfdode bomen leveren de holtes. Daar komt bij dat de soort de hele winter in West-Afrika zit en dus ook afhankelijk is van wat daar gebeurt. Marokko heeft de cederbossen van de Midden-Atlas onder bescherming gebracht, en het ophangen van nestkasten in bosvakken zonder oude bomen werkt hier net zo goed als in Europa.



