Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Balkanvliegenvanger
Balkanvliegenvanger | Ficedula semitorquata
Semicollared flycatcher | Papamoscas semicollarino
De balkanvliegenvanger is de derde zwart-witte vliegenvanger van Europa en de enige die je moet gaan halen: hij broedt in de bergbossen van de Balkan, in Turkije en in de Kaukasus, en verder nergens. Buiten dat gebied is elke melding verdacht — ook op internet, waar foto's uit Midden-Europa met deze naam vrijwel altijd bonte vliegenvangers blijken. Wie hem wil zien, gaat in de eerste helft van mei naar het Strumadal of de Rodopen.
Geluid
De zang zit tussen die van de bonte en de withalsvliegenvanger in: een korte strofe van twee tot drie seconden met dunne, hoge, geknepen tonen, langzamer en ijler dan de bonte vliegenvanger en zonder diens duidelijke sprong tussen twee toonhoogtes. Hij klinkt aarzelend, alsof de vogel halverwege nadenkt. De roep is een kort, schrapend tsrr of zrr; bij het nest een droog tek en een helder, opgaand tsjeb. In het veld is de zang bruikbaar maar niet doorslaggevend, want de drie soorten kopiëren elkaar waar ze samen voorkomen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Even groot en even compact als een bonte vliegenvanger. Het mannetje in voorjaarskleed is zwart boven en wit onder, met vier dingen die je in deze volgorde nagaat. Ten eerste de nek: een witte halsband die vanaf de keel omhoog over de halszijde loopt en halverwege de nek ophoudt, zodat de band open blijft. Ten tweede de vleugel: naast het gewone witte veld op de armpennen en de handpenbasis staat een tweede, apart wit streepje over de middelste dekveren, zodat de gevouwen vleugel twee gescheiden witte tekeningen laat zien in plaats van één veld. Ten derde de stuit: lichtgrijs, duidelijk lichter dan de rug maar niet wit. Ten vierde de staart: meer wit dan bij de bonte vliegenvanger, doorgaans op de drie buitenste pennenparen. Het voorhoofd draagt een klein wit vlekje, niet de brede band van de withalsvliegenvanger. Het vrouwtje is grijsbruin en oogt als een vrouwtje bonte, maar houdt het lichte streepje op de middelste dekveren; ook in het najaarskleed blijft dat het beste teken.
Verwarringssoorten
De bonte vliegenvanger komt op trek in hetzelfde gebied voor en is de soort die je in de praktijk moet uitsluiten — zie ook zijn eigen bladzijde. Zijn mannetje heeft een egaal zwarte nek zonder enig wit, één enkel wit vleugelveld zonder streepje op de middelste dekveren, een donkere stuit en gemiddeld minder wit in de staart; de zwarte delen zijn bovendien vaker bruinzwart dan glanzend zwart. De withalsvliegenvanger, die op de Balkan lager en in opener bos broedt, heeft een halsband die helemaal rond de nek doorloopt, een breed en aaneengesloten wit voorhoofd, één groot wit vleugelveld dat ook op de handpennen breed is en een duidelijk wítte stuit; bekijk daar zijn eigen bladzijde bij. Bij vrouwtjes en najaarsvogels verdwijnen bijna al deze verschillen en blijft alleen het streepje op de middelste dekveren over, dat op een gesleten vogel ook onduidelijk kan zijn: laat zo'n vogel dan liever lopen. Grauwe vliegenvanger valt af op het volledig ontbreken van wit in de vleugel.
Leefgebied
Oud loof- en gemengd bos in het heuvel- en bergland, van ongeveer driehonderd tot tweeduizend meter, met een sterke voorkeur voor eiken- en haagbeukenbos en oude beukenhoutopstanden met veel spechtengaten. Ook in galerijbos langs bergrivieren, in oude notenboomgaarden en in bomenrijen bij bergdorpen. Hij nestelt in spechtengaten en natuurlijke holtes en neemt nestkasten aan; in Bulgarije is dat de manier waarop de soort op verscheidene plekken is opgekrikt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van Zuidoost-Europa en het Nabije Oosten: Bulgarije, Noord- en Midden-Griekenland, Noord-Macedonië, Albanië en het zuiden van Servië, verder Turkije, de Kaukasus en het noorden van Iran. Binnen de Europese Unie gaat het om ongeveer drieduizend vijfhonderd tot zevenduizend vijfhonderd paren, waarvan het overgrote deel in Bulgarije. Alle vogels overwinteren in Oost-Afrika. Ten westen en noorden van het broedgebied is hij een grote uitzondering: op de Duitse lijst staat hij niet, en op de Nederlandse evenmin.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eerste helft van mei in het Strumadal, de Kresnakloof of de zuidelijke Rodopen in Bulgarije, in oud eiken- en haagbeukenbos op de hellingen. Zoek eerst op geluid naar de trage, ijle strofe en werk daarna de vogel systematisch af: nek, middelste dekveren, stuit, staart. Neem de tijd — een mannetje dat één keer met de vleugel tikt laat het streepje op de middelste dekveren in één beeld zien, en dat is meer waard dan een half uur turen naar de halsband. Buiten het broedgebied geldt de omgekeerde regel: begin met de aanname dat het een bonte vliegenvanger is.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, maar de Europese populatie is klein, versnipperd en slecht gevolgd, en berust vrijwel geheel op één land. Het knelpunt is overal hetzelfde: het kappen van oude loofbossen met holle bomen en het verdwijnen van dood hout, waardoor de nestholtes verdwijnen. Waar in Bulgarije nestkasten zijn opgehangen in beschermde bosgebieden reageert de soort daar snel op, en ruim vier vijfde van de Bulgaarse broedvogels zit inmiddels binnen het Natura 2000-netwerk.
Wetenschappelijke naam
Ficedula semitorquata (Homeyer, 1885)
Homeyer beschreef de soort in 1885 als Muscicapa semitorquata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ficedula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ficedula is Latijn voor een klein vijgenetend vogeltje, van ficus 'vijg'; men meende dat het zich in de winter in een zwartkop veranderde. semitorquata is Latijn voor 'half gekraagd', van semi- 'half' en torquatus 'met een halsband', naar de onderbroken witte kraag. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaukasus.


