Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Withalsvliegenvanger

Withalsvliegenvanger | Ficedula albicollis

Collared flycatcher | Papamoscas collarino

In een oud eiken-haagbeukenbos in Hongarije, Slowakije of Oost-Polen is de withalsvliegenvanger in mei de gewone vliegenvanger: op sommige plekken zitten er vier of vijf in één bosperceel. In Nederland is hij een zeldzaamheid van ruim veertig aanvaarde gevallen, bijna allemaal zingende mannetjes tussen eind april en begin juni, en bijna allemaal op de Waddeneilanden. Dat is precies de tijd waarin ook de bonte vliegenvangers doortrekken, en daar zit de moeilijkheid.

Withalsvliegenvanger (Ficedula albicollis)
Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit langzame, geknepen fluittonen die klinken alsof de vogel er moeite voor moet doen: tsjieh … tsjuuh … tsrieh, met duidelijke stiltes ertussen en een schrapend, bijna sissend randje. Hij is trager, hoger en klaaglijker dan de gehaaste, tweetonige strofe van de bonte vliegenvanger, en veel minder melodieus. Let op: waar beide soorten door elkaar broeden, nemen bonte vliegenvangers strofen van de withals over, zodat de zang daar juist geen bewijs is. De roep is een dun, gerekt tsii en bij onrust een droog tek, vaak in serie.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Even groot en even compact als een bonte vliegenvanger, met dezelfde rechtopstaande houding en dezelfde uitvallen vanaf een lage tak. Het mannetje in voorjaarskleed is diep zwart boven en zuiver wit onder, en draagt drie kenmerken die samen beslissend zijn: een witte halsband die helemaal om de nek doorloopt, een breed wit voorhoofd van één aaneengesloten vlek, en een groot, doorlopend wit vleugelveld dat op de handpennen even breed is als op de armpennen. Daar komt een lichte, grijswitte stuit bij, die je vooral ziet als hij van je wegvliegt. De staart is bijna geheel zwart, met minder wit in de buitenste pennen dan bij de bonte vliegenvanger. Het vrouwtje is grijsbruin, koeler en grijzer van tint dan een vrouwtje bonte, met een grotere en breder doorlopende witte handpenbasis en vaak een vage lichte stuit. In het najaar lijken alle vogels op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De bonte vliegenvanger is de soort waarmee het misgaat — zie ook zijn eigen bladzijde, waar hetzelfde verschil vanaf de andere kant staat. Zijn mannetje heeft nooit een gesloten halsband, maar een zwarte nek, een voorhoofdsvlek van één of twee kleine stippen, een kleiner wit vleugelveld dat op de handpennen smal begint, een donkere stuit en juist méér wit in de staartzijden. Bij de vrouwtjes vallen die verschillen grotendeels weg: let dan op de bredere witte handpenbasis, de grijzere bovendelen en de lichtere stuit, en noteer de vogel niet als je het niet hoorde. De balkanvliegenvanger is de derde van het drietal en het lastigst: zijn mannetje heeft een halsband die halverwege de nek ophoudt, een klein wit voorhoofdsstipje, een lichtgrijze in plaats van witte stuit en — het beste teken — een extra wit vleugelstreepje op de middelste dekveren, waardoor de vleugel twee gescheiden witte tekeningen heeft in plaats van één veld. Buiten de Balkan, Turkije en de Kaukasus is dat wel een uitzonderlijke vondst. De vrouwtjes gekraagde roodstaart en de grauwe vliegenvanger vallen af op respectievelijk de roestrode staart en het ontbreken van elk wit in de vleugel.

Leefgebied

Oud, gesloten loofbos met veel holtes en een open onderlaag, met een sterke voorkeur voor eiken-haagbeukenbos en oude beukenhoutopstanden; verder oude lanen, parkbossen, boomgaarden en landgoedbossen. Op Gotland en Öland zit hij in de eeuwenoude loofweiden, tussen knoestige essen en eiken. Waar nestkasten hangen, bezet hij ze net zo gretig als de bonte vliegenvanger, en waar beide soorten voorkomen zijn de kasten het toneel van een felle strijd om de beste holtes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Midden- en Oost-Europa, van Oost-Frankrijk en Noord-Italië oostwaarts tot in Oekraïne en West-Rusland, en zuidwaarts tot op de Balkan; daarbuiten twee geïsoleerde bolwerken op de Zweedse eilanden Gotland en Öland. Alle vogels trekken weg naar Afrika bezuiden de Sahara, wat betekent dat het kaartgebied alleen zijn broedgebied laat zien. In Nederland een zeldzaamheid met ruim veertig aanvaarde gevallen sinds het midden van de negentiende eeuw, sterk geconcentreerd op Terschelling, Vlieland, Ameland en Schiermonnikoog. In Spanje eveneens een zeldzaamheid, met eind april 2013 een opvallende toestroom naar het noordoosten van het schiereiland.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De eerste tien dagen van mei in een oud eiken-haagbeukenbos in Hongarije, Slowakije of het Białowieża-gebied, tussen zonsopgang en negen uur. Mannetjes zingen dan vanaf een tak vlak bij de nestholte, meestal op vijf tot tien meter hoogte, en laten zich lang bekijken. Wie in Nederland kans wil maken, loopt eind april en begin mei de bosjes en tuinen van de Waddeneilanden af en behandelt elke bonte vliegenvanger als een vraag: kijk eerst naar de nek, dan naar het voorhoofd, dan naar de stuit. Wat je op geluid vindt is beter dan wat je op beeld vindt — behalve waar de twee soorten samen broeden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een grote populatie in Midden- en Oost-Europa. Waar hij lokaal achteruitgaat, gaat het steeds om hetzelfde: het kappen van oude, holle bomen en het opruimen van dood hout, waardoor het aantal nestholtes daalt. Op Öland en Gotland broeden withals- en bonte vliegenvanger door elkaar en vormen zich regelmatig gemengde paren — ongeveer één op de vijfentwintig paren. Wat er dan gebeurt, is goed onderzocht: de jongen uit zulke paren zijn vrijwel onvruchtbaar, want de vrouwtjes leggen eieren die niet uitkomen en de mannetjes maken misvormde zaadcellen. De twee soorten blijven daardoor gescheiden, ondanks dat ze dezelfde nestkasten en dezelfde rupsen delen.