Alle soorten › Zangvogels › Grasmussen › Brilgrasmus
Brilgrasmus | Curruca conspicillata
Spectacled warbler | Curruca tomillera
De brilgrasmus is het kleine broertje van de grasmus, en hij woont waar de grasmus niet komt: in de laagste, dorste, meest open struiken die er zijn — tijmveldjes, zoutsteppe en verlaten braakland. Zijn naam zit om het oog: een brede, zuiver witte oogring in een donker gezichtje. Hij wordt voortdurend voor een grasmus of voor een vrouwtje baardgrasmus aangezien en is toch, als je hem eenmaal goed ziet, onmiskenbaar.
Geluid
De zang is een snel, hoog en verrassend melodieus deuntje van twee tot vier seconden, ijler en zoeter dan de krassende babbel van de grasmus, vaak beginnend met een paar heldere fluittonen en eindigend in een versnellend trillertje. Hij wordt gegeven vanaf de top van een lage struik of in een fladderend zangvluchtje: de vogel klimt met snelle vleugelslagen een paar meter omhoog en zakt zingend weer op de struik terug. De roep is het handigste kenmerk: een droge, snorrende ratel, drrrrt of tsjerrr, die hij bij de minste onrust laat horen en die in het open terrein ver draagt; daarnaast een kort, hard tsjek. Zingt van februari tot in juni, in het zuiden al vroeg in het voorjaar, en op warme dagen de hele ochtend door.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een miniatuurgrasmus: kleiner, ronder en veel korter van vleugelpunt, met een lange staart die vaak schuin omhoog wordt gehouden. Het mannetje heeft een grijze kop met zwartgrijze teugels en oordekveren, en daarin ligt een brede, opvallend witte oogring — het beeld van een klein donker maskertje met een bril erop. De keel is helder wit en steekt daar scherp tegen af. De mantel is warm roodbruin en de vleugel draagt een breed, fel roestrood paneel dat nog contrastrijker is dan bij de grasmus. De onderdelen zijn licht roze-beige. De snavel is fijn, met een bleke ondersnavel, en de poten zijn geel- tot oranjeachtig strokleurig. Het vrouwtje heeft een bruinere kop, maar houdt de witte oogring en het roestrode vleugelpaneel. De zeer korte handpenprojectie — nauwelijks meer dan de lengte van de tertials — is bij elk kleed te zien.
Verwarringssoorten
De grasmus is de vaste verwarring, en vier dingen beslissen: de brilgrasmus is duidelijk kleiner en korter van vleugelpunt, heeft donkere teugels en oordekveren met daarin een brede witte oogring, een feller en warmer roestrood vleugelpaneel, en een fijner snaveltje. De grasmus heeft een egaal grijze of bruine kop zonder masker, hooguit een smal wit ringetje, en een langere handpenprojectie. De roep scheidt ze meteen: de brilgrasmus geeft een droge, snorrende ratel, de grasmus een hard tsjek en een raspend tsjèèèr. De tweede valkuil is een vrouwtje of eerstejaars baardgrasmus — westelijke, balkan- of Moltoni's, dat maakt hier niet uit: die hebben een roodachtige oogring in plaats van een witte, een egale grijsbruine vleugel zonder roestrood paneel, geen donker masker en een langere, slankere staart. De provençaalse en de balearengrasmus zijn donkerder, grijzer en nog langer van staart, missen de witte keel en het roestrode vleugelpaneel. In Noordwest-Afrika komt daar atlasgrasmus (Curruca deserticola) bij, die eveneens een roestrode vleugel heeft, maar een oranjebruine onderkant en een veel duidelijker lichte wenkbrauwstreep.
Leefgebied
Laag, open en droog struweel waar de struiken elkaar niet raken: tijmveldjes en andere lage aromatische struikjes, zoutminnende struiken van zoutpannen en binnenlandse saladares, esparto- en steppegrasland, oude braakvelden en akkerranden, en garrigue op de dorste hellingen. Ook lavavelden en droge kustvlaktes op de Canarische Eilanden. Hij foerageert laag en veel op de grond tussen de struikjes door, en verdwijnt zodra het struweel hoger dan een halve meter of te dicht wordt — precies daar waar de baardgrasmussen beginnen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Rond de hele Middellandse Zee: Iberië, Zuid-Frankrijk, de Balearen, Corsica, Sardinië, Italië, Sicilië, Malta, Griekenland en Kreta, Cyprus, Zuid-Turkije en de Levant, en verder langs heel Noord-Afrika van Marokko tot Egypte. Daarbuiten broedt hij op de Canarische Eilanden, op Madeira en op Kaapverdië. De zuidelijke en insulaire vogels zijn standvogel; de vogels van het Spaanse en Franse binnenland trekken in de winter naar lager en warmer terrein en naar Noord-Afrika, tot in de zuidrand van de Sahara. In Spanje is hij het talrijkst in het zuiden en het midden — de saladares van Murcia, Almería en Albacete en de steppes van de Ebrovallei — en schaars in het noorden. In Nederland is hij een uitzonderlijke dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- Trekrichting
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Maart en april, in een zoutsteppe of een tijmveld in Murcia, Almería of de Monegros, in het eerste uur na zonsopgang en bij weinig wind. Blijf op het pad staan en wacht: de vogel zit laag en is onzichtbaar tot hij zingt of zijn snorrende ratel geeft. Bij het zangvluchtje komt hij een paar seconden vrij in de lucht en dat is het moment om te kijken. Let daarna op de witte oogring in het donkere gezichtje en op de zeer korte vleugelpunt; wie in hetzelfde terrein een grasmus tegenkomt, heeft het verschil in één ochtend geleerd.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een groot areaal rond de Middellandse Zee en op de Atlantische eilanden. De aantallen schommelen sterk van jaar tot jaar, want droge winters en late vorst slaan hard in bij een vogel die zo laag en zo open broedt. De structurele druk komt van het omzetten van steppe, braakland en saladares in geïrrigeerde landbouw en kassen, van bebouwing langs de kust en van het verdwijnen van extensieve beweiding, waardoor de lage vegetatie dichtgroeit tot hoog struweel dat de soort niet meer gebruikt. In enkele Spaanse regio's staat hij daarom op de regionale lijst van bedreigde vogels, ook al is hij wereldwijd niet in gevaar.



