Alle soortenZangvogelsGrasmussen › Sardijnse grasmus

Sardijnse grasmus | Curruca sarda

Marmora's warbler | Curruca sarda

De Sardijnse grasmus is de donkerste van het lastige trio: een gelijkmatig leigrijs vogeltje met een rode oogring en een lange, getrapte staart, dat op de kale, door de mistral geteisterde hellingen van Corsica en Sardinië in de lage maquis leeft. Waar hij zit is hij niet zeldzaam, maar hij zit maar op heel weinig plekken.

Sardijnse grasmus (Curruca sarda)
Foto: Francesco Veronesi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een haastig, krassend babbeltje van een tot twee seconden, dat wat voller en lager klinkt dan dat van de Provençaalse grasmus en met korte ratels wordt doorspekt: tsjerre-tsjek-tsjerritt, meestal vanaf een uitstekend takje boven de maquis en soms in een klein baltsvluchtje met wijd uitgespreide staart. Hij zingt vooral van maart tot juni, het felst in de vroege ochtend. De roep is minstens zo bruikbaar: een hard, droog tsjek, vaak in versnellende reeksen, en bij onrust een ratelend tsjerr-r-r. Op een winderige helling draagt die ratel verder dan de zang, en het is meestal het eerste wat je van de soort merkt.

Luister: ZangXC913469

Opname: Tanguy Loïs — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Klein en langstaartig, en van kop tot buik gelijkmatig donker leigrijs — dat egale grijs, ook op keel en buik, is het kenmerk. Er zit geen spoor van rood, roze of bruin in het kleed; hooguit lijkt de rug een tikje warmer dan de kop. De oogring is oranjerood en valt op tegen het donkere gezicht, de iris is roodbruin, de poten zijn oranje en de snavel is donker met een oranje basis. De staart is lang, getrapt en zwartachtig, met smalle lichte randen aan de buitenste pennen; hij wordt vaak schuin omhoog gehouden of langzaam gedraaid. Het vrouwtje is iets valer en bruiner grijs, maar blijft eenkleurig; jonge vogels zijn grauwbruin met een dof oog. De kruinveren worden bij opwinding opgezet, wat een ruig, hoekig kopje geeft.

Verwarrings­soorten

De Balearengrasmus is het spiegelbeeld en het verschil zit op de buik: bij de Sardijnse grasmus loopt het leigrijs gelijkmatig door tot op de onderbuik, bij de Balearengrasmus is die wit met hooguit een roze waas, en steekt de grijze kop daar duidelijk tegen af; zie ook zijn eigen soortpagina. De Sardijnse is bovendien iets groter en langer van vleugel. De Provençaalse grasmus is de derde van het trio en het makkelijkst: die heeft wijnrode onderdelen en witte spikkeltjes op de keel. De areaalgrenzen doen het meeste werk — Corsica, Sardinië en de Toscaanse eilandjes voor deze soort — behalve in de Noord-Afrikaanse winterkwartieren, waar hij naast Provençaalse grasmussen kan zitten en de kleur van de onderkant de doorslag moet geven. De kleine zwartkop, op dezelfde eilanden gewoon, is forser en heeft een zwarte kap boven een scherp begrensde witte keel.

Leefgebied

Lage, open maquis en garrigue op stenige hellingen: cistus, mastiek, tijm, gaspeldoorn en dwergpalm tussen kale rotsblokken, en op de kust ook de door de zoutwind kortgehouden heide van de kliftoppen. Hij mijdt bos en hoog struweel en wil struiken van hooguit een meter of anderhalf; verse brandvlaktes worden binnen enkele jaren weer bezet zodra de cistus terugkomt. Van zeeniveau tot ver in de bergen: op Corsica en Sardinië tot boven de achttienhonderd meter, waar hij in het dwergstruweel van de kale toppen zit.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Corsica, Sardinië en de kleine Toscaanse eilanden — Capraia, Elba, Giglio, Montecristo — met verder buitenposten op Pantelleria en het Tunesische eilandje Zembra. Meer dan dat is er niet: het is een van de kleinste verspreidingsgebieden van alle Europese zangvogels. Een deel van de vogels blijft het hele jaar op de eilanden, een ander deel steekt over en overwintert in Noordoost-Algerije, Tunesië en Noordwest-Libië; het hele areaal, winterkwartier inbegrepen, ligt binnen het kaartgebied. Buiten die eilanden is hij een grote zeldzaamheid: in Nederland zijn slechts enkele gevallen aanvaard, en in Spanje staat er tot nu toe maar één betrouwbare waarneming op de lijst, een zingend mannetje in het Garraf-massief bij Barcelona in mei 1997.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

April en mei, kort na zonsopgang, op een stenige helling met lage cistusmaquis: Capo Caccia en de Asinara op Sardinië, het Cap Corse of de macchia rond Bonifacio op Corsica. Zoek een plek waar het struweel niet hoger komt dan je middel en blijf op het pad staan; scan de toppen op een klein, donker vogeltje met een omhoog gehouden staart. Hoor je het droge tsjek, blijf dan stil staan en wacht: hij komt zelf kijken. In de bergen loont het om in mei langs de bovenrand van de macchia te lopen, want daar zit hij vaak in het open dwergstruweel waar hij goed te zien is.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, en op de eilanden zelf plaatselijk gewoon, maar met een zo klein areaal dat elke grootschalige verandering direct doortelt. De grootste zorgen zijn grote zomerbranden die in één keer duizenden hectaren lage maquis wegvagen, bebouwing en toerisme langs de kust, en het dichtgroeien van oude maquis tot hoog struweel en bos zodra begrazing en kleinschalig gebruik ophouden. Op de kleine eilandjes gaat het om enkele tientallen paren, en daar hangt het bestaan af van één brand of één jaar met veel ratten en katten.

Wetenschappelijke naam

Curruca sarda (Temminck, 1820) (GBIF: Sylvia sarda)

Temminck beschreef de soort in 1820 als Sylvia sarda; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Curruca werd in 1802 ingevoerd door Bechstein. Curruca is Latijn, de naam van een niet nader bepaald vogeltje dat bij de Romeinse dichter Juvenalis voorkomt. sarda is de Latijnse vrouwelijke vorm voor 'Sardijns', naar Sardinië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië.