Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Cyprustapuit

Cyprustapuit | Oenanthe cypriaca

Cyprus wheatear | Collalba chipriota

De cyprustapuit broedt nergens anders dan op Cyprus, en van maart tot oktober is hij daar overal: op de kustheuvels, tussen de oude terrassen achter de dorpen en tot boven in de dennen van de Troodos. Hij is de meest boombewonende tapuit van het gebied — hij zit op een tak in plaats van op een steen — en zijn zang klinkt niet als een vogel maar als een krekel.

Cyprustapuit (Oenanthe cypriaca)
Foto: Hobbyfotowiki — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is onmiskenbaar en klinkt nauwelijks als een vogel: een droog, snorrend gezoem als van een krekel of cicade, zrrrrrrrrr, dat vijf tot tien seconden wordt aangehouden en meestal wordt afgesloten met een paar heldere, hoge piepjes. Hij zingt vanaf een dennentop, een telefoondraad of een rotsblok, van eind maart tot in juli, en gaat door op het heetst van de dag, wanneer al het andere zwijgt. De roep is een hard tsak-tsak als tikkende kiezels, vaak voorafgegaan door een gefloten hwiet.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Kleine, contrastrijke zwart-witte tapuit. Het mannetje heeft een roomwitte tot vuilwitte kruin en nek, een pikzwart gezicht, keel en bovenborst die zonder onderbreking overgaan in een zwarte mantel en zwarte vleugels, en warm beige tot abrikooskleurige onderdelen. De staart is wit aan de basis, met een brede zwarte eindband en een lange zwarte middenstreep, zodat er meer zwart in zit dan bij de meeste tapuiten. Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is doffer en bruinzwart in plaats van pikzwart; dat de geslachten zo weinig verschillen is op zichzelf een kenmerk. In het najaar geven brede lichte veerzomen de vogel een geschubd voorkomen en oogt de kruin beige.

Verwarrings­soorten

Alles draait om de bonte tapuit; de cyprustapuit wordt sinds 1982 als aparte soort behandeld en gold daarvóór als de eilandvorm daarvan. De bonte tapuit is groter en langvleugeliger, het mannetje heeft een zuiver witte kruin en nek in plaats van roomwit, zuiver witte onderdelen zonder het beige of abrikoos van de cyprustapuit, en minder zwart in de staart — de eindband is smaller en het wit reikt verder naar achteren. Bij de bonte tapuit is het vrouwtje bovendien bruin van boven en dus duidelijk anders getekend dan het mannetje, terwijl de geslachten hier bijna gelijk zijn. Het zekerste onderscheid is de zang: krekelgezoem bij de cyprustapuit, een krassend liedje vol nabootsing bij de bonte tapuit. De westelijke en de oostelijke blonde tapuit hebben in hun zwartkelige vorm ook een zwarte keel, maar hun kruin en mantel zijn zandkleurig, niet zwart, en hun staart is grotendeels wit. De tapuit heeft een grijze mantel, alleen een zwart masker en de bekende omgekeerde zwarte T.

Leefgebied

Open bos van Calabrische den en bosranden met open plekken, maquis en phrygana op stenige hellingen met verspreide bomen, oude landbouwterrassen, wijngaarden en boomgaarden, en de randen van bergdorpen; van de kustkliffen tot de kam van de Troodos op ruim 1900 meter. Anders dan de meeste tapuiten jaagt hij vanaf takken: hij vliegt uit naar een insect in de lucht en keert terug op zijn post. Het nest zit in een holte in een aarden wal, in een muurtje van losse stenen of onder een platte steen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van uitsluitend Cyprus; nergens anders ter wereld broedt hij. De eerste vogels arriveren eind februari en in maart, de laatste vertrekken in oktober en november. Onderzoek met geolocatoren liet zien dat de hele populatie overwintert in één klein gebied op de grens van Soedan, Zuid-Soedan, Eritrea en Ethiopië, ruwweg tussen 7 en 19 graden noorderbreedte — een reis van zo'n 2200 kilometer, met een tussenstop aan de Rode Zee. Op doortrek wordt hij zelden gemeld uit Israël, Egypte en Griekenland; als dwaalgast is hij tot Helgoland gekomen. Op Cyprus zelf is hij een van de talrijkste broedvogels, van zeeniveau tot de hoogste toppen.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

April en mei, ergens tussen de dennen op de zuidflank van de Troodos of op het schiereiland Akamas. Zoek niet naar een vogel op de grond maar naar een vogel op een tak of een draad, en laat je oren het werk doen: het krekelgezoem draagt ver en is bij dertig graden vaak het enige geluid dat er is. Rond hotels en taverna's aan de kust komt hij tot op de terrastegels, en dan zie je het beige van de borst en het vele zwart in de staart van dichtbij.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, met een grote en stabiele populatie, maar de hele wereldpopulatie broedt op één eiland van ruim negenduizend vierkante kilometer, en dat maakt de soort per definitie kwetsbaar. Bosbranden in de Troodos, het opruimen van maquis en oude terrassen voor bouw en toerisme en de achteruitgang van insecten door bestrijdingsmiddelen zijn de zorgen voor de lange termijn. Daarbij komt de illegale vogelvangst met lijmstokken en mistnetten in het zuidoosten van het eiland: die treft vooral doortrekkende zangvogels, maar vangt ook eilandbroedvogels weg.