Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Seebohms tapuit

Seebohms tapuit | Oenanthe seebohmi

Seebohm's wheatear | Collalba de Seebohm

Een tapuit met een zwarte keel, en verder niets bijzonders — dat is het hele verhaal en tegelijk het hele probleem. Seebohms tapuit broedt alleen op de hoge, stenige plateaus van het Atlasgebergte in Marokko en Algerije, en wordt sinds 2021 op de wereldlijsten los van de gewone tapuit als aparte soort behandeld. Het mannetje is in het voorjaar meteen te herkennen; alles daarbuiten is een oefening in eerlijkheid.

Seebohms tapuit (Oenanthe seebohmi)
Foto: Ron Knight — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang lijkt op die van de tapuit maar is trager en lager van toon, met beter afgegrensde, melodieuze zinnetjes die duidelijk stijgen en dalen in plaats van de haastige, krassende ratel van de tapuit. Hij zingt vanaf een steen of een lage struik en soms in een korte zangvlucht. De roep is hetzelfde steenachtige tsjak en het dunne, opgaande hwiet die de hele familie draagt. Te horen van maart tot in juni op de hoogvlaktes.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Op het eerste gezicht een tapuit: rechtop, langbenig, kortstaartig, met een wit stuitvlak en een zwarte staartband. Het mannetje in broedkleed verschilt op vier punten. De keel is zwart, en dat zwart loopt van de kin over de wangen en het oorveld door tot een aaneengesloten masker, soms tot op de bovenborst; bij de tapuit is de keel licht. De onderdelen zijn schoon wit tot heel licht crème, zonder de warme oranjebeige borst van de tapuit. Het voorhoofd en de wenkbrauw zijn witter en breder. En de ondervleugeldekveren zijn vrijwel egaal zwart, zonder de lichte veerzomen die de tapuit daar toont — een kenmerk dat je alleen ziet als de vogel wegvliegt of een vleugel licht. De zwarte eindband van de staart is smaller dan bij de tapuit en beslaat ongeveer een derde van de buitenste staartpen. De vogel is bovendien een fractie kleiner en korter van vleugel, met een kortere handpenprojectie. Het vrouwtje is een ander verhaal: veel vrouwtjes zijn niet van een tapuitvrouwtje te scheiden. De beste vrouwtjes hebben grijzere bovendelen, donkere tot bijna zwarte teugels en oorveld, een korte en smalle wenkbrauw en donkere ondervleugeldekveren met lichte strepen erin. Eerstejaars vogels in het najaar zijn niet te determineren.

Verwarrings­soorten

De tapuit is de directe tegenhanger; zie ook zijn eigen soortpagina, waar dezelfde soort vanaf de andere kant is beschreven. Bij een mannetje in het voorjaar beslist de keel: zwart bij Seebohms tapuit, licht bij de tapuit — en daarbij hoort de schoonwitte in plaats van oranjebeige borst, de smallere zwarte staartband en de zwarte ondervleugel. Buiten dat kleed geldt de omgekeerde regel: elke bruine, ruiende of jonge vogel is een tapuit tot het tegendeel is bewezen, en dat bewijs is er in het veld meestal niet. In het Atlasgebergte helpt de kalender: de gewone tapuit trekt er in maart en april en opnieuw in augustus en september doorheen, maar broedt nergens in Noordwest-Afrika, dus een zwartkelig mannetje op territorium in mei of juni is rond. Het grootste risico ter plaatse is niet de tapuit maar de zwartkelige vorm van de westelijke blonde tapuit, die in Marokko en Algerije gewoon is; zie ook zijn eigen soortpagina. Die heeft een romig okerkleurige mantel in plaats van een grijze, en vooral een staart die bijna helemaal wit is met een dun zwart randje, waar Seebohms tapuit de brede zwarte band van een gewone tapuit draagt. Hij is ook slanker en langstaartiger en zijn zwarte keel is een vlek, geen masker dat over de wang doorloopt. Verder komen in dezelfde bergen voor: de izabeltapuit, groter en egaal zandkleurig, met een korte staart waarin de zwarte band juist breed is en zonder enig zwart op de kop; de woestijntapuit, met een zwarte keel die tot op de schouder doorloopt en een vrijwel geheel zwarte staart; de zwarte tapuit, groot en geheel zwart met witte stuit; en de witkruintapuit, zwart met een witte kruin en een bijna volledig witte staart. Het paapje heeft een brede lichte wenkbrauw, een gestreepte rug en witte vlekken aan de staartbasis in plaats van een wit stuitvlak.

Leefgebied

Hoge, stenige plateaus en korte alpenweiden boven de boomgrens, met blokken, puinhellingen en kale grond. In Marokko vooral tussen 1.700 en 2.300 meter, in Algerije plaatselijk veel lager, tot bijna op zeeniveau. Het nest ligt in een holte in de grond of tussen rotsblokken. In de winter, ver buiten het kaartgebied, staat hij in de Sahel op open savanne met verspreide acacia's, niet op de kale woestijnrand.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt uitsluitend in Noordwest-Afrika, met een verbrokkeld areaal over de Rif, de Midden-Atlas, de Hoge Atlas en de centrale Anti-Atlas in Marokko en over het Aurèsgebergte en de Djurdjura in Algerije. Alle vogels trekken weg: de winter wordt doorgebracht in de westelijke Sahel, tussen 15 en 18 graden noorderbreedte in Zuid-Mauritanië, Noord-Senegal en West-Mali, waar naar schatting zo'n vijftigduizend vogels overwinteren. Omdat dat ver buiten het kaartgebied ligt, is hij binnen de gids een zuivere broedvogel en trekvogel van het Atlasgebied. Buiten Noordwest-Afrika is hij een uitzonderlijke dwaalgast, met enkele gevallen in Spanje en verder in Europa.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • Trekrichting
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Mei op het Oukaïmeden-plateau of de hoogvlaktes van de Midden-Atlas boven Ifrane, kort na zonsopgang. Zoek een korte, steenrijke weide met graasvee en let op mannetjes die op een steen zitten te zingen. Kijk eerst naar de keel, dan naar de borst, en laat de vogel daarna opvliegen: de zwarte ondervleugel en de smalle staartband bevestigen het beeld in één beweging. Ga niet aan vrouwtjes en bruine vogels beginnen — die kosten uren en leveren niets op.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst, en anders dan bij veel jonge afsplitsingen is dat hier een beoordeling van de soort zelf en niet van de ruime soort. Het areaal is klein en verbrokkeld en de vogel is nergens talrijk, maar de hoge Atlasplateaus veranderen langzaam en zijn moeilijk te ontginnen. De aandachtspunten zitten aan de randen: overbegrazing die de vegetatie tot stof reduceert, uitbreiding van skigebieden en wegen, en droogte in het Sahelgebied waar de hele populatie de winter doorbrengt. Omdat er maar één gebergte is waarin hij broedt, blijft de soort gevoelig voor alles wat het bergklimaat daar verandert.

Wetenschappelijke naam

Oenanthe seebohmi (Dixon, 1882) (GBIF: Oenanthe oenanthe)

Dixon beschreef de soort in 1882 als Saxicola seebohmi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oenanthe werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Oenanthe is Grieks, van oinos 'wijn' en anthos 'bloem': de tapuit keerde in Griekenland terug wanneer de wijnstok bloeide. seebohmi eert de Engelse ornitholoog Henry Seebohm (1832–1895), die veel over Palearctische zangvogels schreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Djebel Mahmel in Algerije.