Alle soorten › Scharrelaarachtigen › IJsvogels › Smyrna-ijsvogel
Smyrna-ijsvogel | Halcyon smyrnensis
White-throated kingfisher | Alción de Esmirna
Een grote ijsvogel met een kastanjebruine kop, een sneeuwwitte bef en een enorme koraalrode snavel, die je het vaakst kilometers van het dichtstbijzijnde water ziet. Hij zit op telefoondraden boven droge akkers en jaagt daar op hagedissen, sprinkhanen en kikkers.
Geluid
Een luide, dalende lach — kie-kie-kie-kie-kie, hard en wat hinnikend — die het hele jaar over open land draagt en van maart tot juni bijna onophoudelijk klinkt. Daarnaast een langgerekt, trillend kirrrr waarmee het mannetje van een hoge uitkijkpost zingt, en een hard geratel bij verstoring.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Fors, met een zware kop, een dikke koraalrode dolksnavel en rode poten. Kop, hals, flanken en buik zijn diep kastanjebruin, rug, staart en vleugeldekveren schitterend turkooisblauw, en over keel en borst ligt een groot, scherp begrensd wit veld dat van ver oplicht. De vleugel is turkoois met zwart; in de vlucht springt een groot wit venster in de handpennen eruit. Man en wijfje zijn gelijk, jonge vogels doffer, met fijne donkere schubbing op de witte borst en een matter gekleurde snavel.
Verwarringssoorten
De ijsvogel is nauwelijks half zo lang, kobaltblauw met oranjebruin, en heeft geen witte bef en geen rode snavel. De bonte ijsvogel is zwart-wit. Wie hem in Turkije of Israël vanuit de auto op een draad ziet zitten, denkt eerder aan een scharrelaar: ook blauw, ook op draden, ook boven open land. De scharrelaar is echter forser en breedkoppiger, met een zwarte snavel, een lichtblauwe kop en borst en nergens wit. De witte bef en de rode snavel maken hier het verschil, ook op grote afstand.
Leefgebied
Open, warm cultuurland met verspreide bomen en volop zitplaatsen: akkers, boomgaarden, dadelpalmtuinen, dorps- en stadsranden, parken en grote tuinen, en verder greppels, irrigatiekanalen en vissenvijvers. Water is niet noodzakelijk. Hij jaagt vanaf draden, palen en dode takken en pakt vooral hagedissen, grote insecten, kikkers, krabben en muizen, en pas in tweede instantie vis. Voor het nest graaft hij een gang in een lage aarden wand, een greppelkant of een bouwput.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
In het kaartgebied broedt hij in Zuid-Turkije, van de Çukurova en de Göksu-delta oostwaarts naar de Eufraat bij Birecik, en langs de Levant in Israël, Libanon en Jordanië tot in de Sinaï en de rand van de Nijldelta. Vanaf daar loopt zijn areaal onafgebroken door tot in Zuidoost-Azië. In Turkije breidt hij zich langs de Middellandse Zeekust naar het westen uit, en op Cyprus heeft hij gebroed. Standvogel. In Nederland en Spanje komt hij niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In Israël zie je hem overal in de kustvlakte en de Jordaanvallei, tot op parkeerplaatsen en in tuinen toe. In Turkije zijn de Çukurova bij Adana en de Göksu-delta het zekerst. Rijd langzaam over de akkerwegen en scan de draden; de lach verraadt hem meestal eerst. Vroeg in de ochtend blijft hij lang op één paal zitten, en dan is hij ook goed te fotograferen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, talrijk, en in Turkije en Israël in areaal toegenomen, waarschijnlijk dankzij irrigatie en boomaanplant. Hij verdraagt bebouwing goed en broedt tot in dorpsranden. Plaatselijke problemen zijn het gladtrekken van greppelkanten waarin hij nestelt en het gebruik van bestrijdingsmiddelen, die zijn grote prooidieren wegvagen.




