Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Blauwe rotslijster
Blauwe rotslijster | Monticola solitarius
Blue rock-thrush | Roquero solitario
De vogel van de warme rots: zeekliffen, kalkkloven, steengroeves en, even vanzelfsprekend, de bovenrand van een kathedraal of een verlaten kasteel. Hij zit hoog en alleen, zingt langzaam en weemoedig over de diepte, en laat zich zelden benaderen. Op Malta is hij het nationale symbool. Voor de Nederlandse waarnemer is hij een vogel van de vakantie in het zuiden, niet van de eigen lijst.
Geluid
De zang is het beste kenmerk op afstand: langzame, luide, zuiver fluitende strofen van vier tot acht tonen, weemoedig van klank en met lange stiltes ertussen, die over een kloof of een havenkom heen dragen. Merelachtig van toon, maar korter afgebeten, hoger en droeviger, en zonder het gebabbel aan het eind. Hij zingt vanaf het hoogste punt in de omgeving — een rotsrand, een torenspits, een tv-antenne — en soms in een korte, zwevende zangvlucht. Roep: een hard, ver dragend tsjak-tsjak en een dun, klaaglijk sieh. Zingt van februari tot in juni, het meest in het eerste licht.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Een lange, slanke lijsterachtige met een lange donkere snavel, een tamelijk lange donkere staart en een rechte, hoge houding. Het mannetje is over de hele vogel donker leiblauw; in de zon en van dichtbij is dat blauw diep en warm, tegen het licht en op afstand ziet hij er gewoon zwart uit. In vers najaarskleed liggen er smalle vale zomen overheen die de vogel fijn geschubd maken. Het vrouwtje is donker grijsbruin van boven en beige van onder, over de hele onderzijde dicht bedekt met donkere halvemaantjes, met een zwakke lichte oogring; jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn ook op de rug gevlekt. In elk kleed geldt: donkere snavel, lange staart, geen enkel rood of oranje.
Verwarringssoorten
Rode rotslijster is de eerste vergelijking en de staart beslist — zie ook zijn eigen soortpagina. Die is korter van staart en heeft een oranjerode staart en oranje onderdelen; de blauwe rotslijster heeft een langere, geheel donkere staart zonder enig rood. Het vrouwtje blauwe rotslijster is kouder en donkerder grijsbruin dan dat van de rode rotslijster, met halvemaanvormige tekening in plaats van fijne golving. De merel is de tweede val, vooral bij tegenlicht op een dak: het merelmannetje heeft een gele snavel en een gele oogring, een langere staart en een rondere kop, en huppelt in het gras in plaats van rechtop op een steen te staan. De spreeuw oogt op afstand ook donker op een nokrand, maar is veel korter van staart, driehoekig van vleugel en loopt in plaats van te huppelen. Dwaalgasten uit het oosten kunnen tot de vorm philippensis behoren, met een roestbruine buik onder de blauwe borst.
Leefgebied
Warme, droge rotsformaties in de ruimste zin: zeekliffen en rotskusten, kalkkloven en canyons, steile bergwanden, steengroeves — en in heel Zuid-Europa net zo goed het bouwwerk als de natuurlijke rots. Kastelen, stadsmuren, kathedralen, forten, ruïnes, viaducten en oude havenhoofden zijn voor hem rotswanden waar hij zowel nestelt als jaagt: hij pikt insecten en hagedissen van de kroonlijst, van het plein en van de dakpannen. Van zeeniveau tot ongeveer 2.000 meter, met de hoogste plaatsen alleen in de zomer bezet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Portugal en Marokko door het hele Middellandse Zeegebied en het Midden-Oosten, en verder oostwaarts door Centraal-Azië tot in China en Japan. In het westen van dat areaal is hij standvogel, met alleen hoogteverplaatsingen; oostelijke populaties trekken wel. In Nederland een dwaalgast met slechts enkele gevallen. In Spanje is hij een wijdverbreide broedvogel van vrijwel alle kust- en bergprovincies, van de Costa Brava tot Gibraltar en van de Pyreneeën tot Sierra Nevada, en op Malta, Sardinië, Sicilië en de Griekse eilanden is hij een van de gewoonste vogels van de kliffen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Het makkelijkst in maart en april, in de vroege ochtend, vanaf een uitzichtpunt over een kloof, een havenkom of een oude ommuurde stad in Zuid-Europa. Zoek eerst met het oor: de trage fluitstrofen met stiltes ertussen zijn onmiskenbaar en verraden waar hij zit. Kijk dan naar de hoogste punten — een torenkruis, een rotsnaald, een antenne — en let op de houding: rechtop, kop iets omhoog, staart hangend. Op zonnige middagen is het blauw pas op korte afstand te zien; in het tegenlicht van de ochtend werkt de silhouetcombinatie lange snavel, lange staart, hoge zitpost het snelst.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd en in het grootste deel van Zuid-Europa stabiel. De grootste zorgen zijn plaatselijk: de restauratie van kastelen, kerktorens en stadsmuren waarbij nissen en spleten worden dichtgezet, uitbreiding van steengroeves, klimtoerisme op broedwanden en, in delen van het Middellandse Zeegebied, illegale vangst voor de kooivogelhandel. Waar oude bouwwerken hun gaten houden en kliffen in het broedseizoen met rust worden gelaten, houdt de soort zich moeiteloos staande.
Wetenschappelijke naam
Monticola solitarius (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als [Turdus] solitarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Monticola werd in 1822 ingevoerd door Boie. Monticola is Latijn voor 'bergbewoner', van mons, montis 'berg' en colere 'bewonen'. solitarius is Latijn voor 'eenzaam', naar de gewoonte om alleen of in paren te leven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië.




