Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Maskerduif
Maskerduif | Oena capensis
Namaqua dove | Tortolita rabilarga
De maskerduif is de kleinste duif van het gebied en op het eerste gezicht nauwelijks een duif: sierlijk, zandkleurig en met een staart die langer is dan de rest van de vogel. Het mannetje draagt een zwart masker over gezicht, keel en borst. In de Arava is hij sinds de jaren zeventig een gewone verschijning geworden.
Geluid
Een zacht, laag en klaaglijk hoe … hoeoe in twee delen, waarbij de tweede noot langer is en iets omhoog loopt. Het geluid is zo gedempt dat het tussen ander geluid gemakkelijk verloren gaat, en de meeste vogels worden eerder gezien dan gehoord. Het mannetje roept vanaf een lage tak of een draad, vooral in de vroege ochtend. In de baltsvlucht klimt hij steil op en glijdt met stijve vleugels en gespreide staart omlaag.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Heel kleine, slanke duif met een lange, spits toelopende zwarte staart. Het mannetje heeft een zwart gezicht, een zwarte keel en borst met een lichte rand, een blauwgrijze kruin en nek, en een oranjegele snavel met rode basis. De bovendelen zijn zandbruin met vier of vijf glanzende violetblauwe vlekken op de vleugel; de buik is wit. In vlucht lichten de kastanjebruine handpennen op. Het vrouwtje mist het masker en is dof grijsbruin, maar heeft dezelfde lange staart.
Verwarringssoorten
De palmtortel is groter en roodbruiner, met een gespikkelde halsband en een veel kortere staart, al lichten bij beide in vlucht roodbruine vleugels op. De turkse tortel is fors groter en bleker en heeft een zwart halsstreepje. Het vrouwtje van de maskerduif is het lastigst: ga dan af op het formaat — nauwelijks groter dan een mus — op de lange, zwarte, wigvormige staart en op de witte buik.
Leefgebied
Halfwoestijn met acacia's, droge wadi's en doornstruweel, en juist ook de door mensen gemaakte randen daarvan: bevloeide akkers, dadelplantages, tuinen en de bermen van woestijnwegen. Foerageert lopend op kale grond en op paden, waar hij minuscule zaden van grassen en kruiden oppikt, en komt geregeld drinken bij een poel of een lekkende leiding.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van oorsprong een vogel van Afrika, Madagaskar en Arabië. In het gebied van deze gids broedt hij in het zuiden van Israël en in Jordanië: hij vestigde zich in de jaren zeventig en tachtig in de Arava en is inmiddels doorgedrongen tot de Hoelavlakte, de Negev en de kuststrook, met vermoedelijk enkele honderden paren. Noordelijker volgden Syrië, Irak, Turkije en Iran; de opmars houdt aan en wordt toegeschreven aan bevloeide landbouw en aan zachtere winters.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Eilat en de Arava, het hele jaar door maar het aangenaamst in maart en april. Rijd de landbouwgebieden bij Yotvata of Neot Smadar af, blijf bij een akkerrand of een drinkplaats staan en kijk naar de grond: de vogels lopen laag tussen de stoppels en vliegen bij verstoring snel en laag weg, waarbij de lange staart en de roodbruine vleugels meteen opvallen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, en in dit deel van de wereld duidelijk in opmars. Hij profiteert van bevloeiing en van nieuwe akkerranden in de woestijn en breidt zich al een halve eeuw noordwaarts uit. Lokaal wisselt het aanbod van water en zaad sterk, zodat de aantallen van jaar tot jaar verschillen; op de schaal van de soort speelt dat geen rol.
Wetenschappelijke naam
Oena capensis (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Columba capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oena werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Oena is Grieks, van oinas 'duif'. capensis verwijst naar de Kaap de Goede Hoop, waar het typemateriaal vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaap de Goede Hoop.



