Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Arabische leeuwerik
Arabische leeuwerik | Eremalauda eremodites
Arabian lark | Alondra árabe
De lastigste woestijnleeuwerik van het Nabije Oosten: klein, bleek en op het eerste gezicht zonder kenmerken, en bovendien zelden waar je hem zoekt. Hij volgt de regen, en een vlakte in de Negev die vorig jaar vol zat kan dit jaar helemaal leeg zijn. Wie hem wil zien moet twee dingen leren zien: de zware, bleke snavel op die kleine ronde kop, en de zwarte staart met witte zijkanten.
Van deze soort bestaat geen vrij gelicentieerde foto van een levende wilde vogel.
Geluid
De zang is een kort, zoetgevooisd, rinkelend zinnetje met een licht metalige klank, dat telkens wordt herhaald. Hij zingt vanaf de grond of vanaf een lage struik, en daarnaast in een trage, fladderende zangvlucht waarin hij hoog boven de vlakte blijft hangen voordat hij weer omlaag zeilt. De roep is een kort, droog tsjirp, meestal van een groepje dat opvliegt en wegtrekt. Er wordt vooral gezongen in de weken na regen, wanneer de vlakte kort groen kleurt; in een droog jaar kan een gebied de hele winter stil blijven.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Kleine, compacte leeuwerik van 13 tot 14 cm, met een grote, ronde kop en een korte staart — de verhoudingen van een vink meer dan van een leeuwerik. De snavel is kort, hoog aan de basis en zuiver kegelvormig, bleek roze- tot hoornkleurig, en oogt te zwaar voor het vogeltje. Bovendelen bleek zandkleurig met fijne donkere streepjes op kruin en mantel; onderdelen wit met een lichte beige waas en fijne streping die tot de borstzijden beperkt blijft. Het gezicht is licht, met een smalle donkere streep achter het oog, een donkere baardstreep die het oor omlijst en een lichte oogring rond een groot donker oog. Het beste kenmerk zie je bij het opvliegen en het landen: de staart is zwart met witte buitenste pennen, en dat zwart-wit steekt scherp af tegen de effen zandkleurige stuit. Poten bleekroze. Loopt met korte, snelle pasjes, blijft dan doodstil staan en verdwijnt zo volledig in de bodem.
Verwarringssoorten
Dit is de plek om rustig aan te doen, want op dezelfde vlaktes lopen nog vier bleke leeuweriken. De rosse woestijnleeuwerik is even klein en even bleek en zit dun verspreid in de Negev en de Arava, maar is van boven effen zandkleurig zonder streping, heeft een vlak, tekeningloos gezicht zonder oogstreep of baardstreep, een kleinere en fijnere grijze snavel en — dat beslist — een roestoranje staart met een brede zwarte eindband in plaats van een zwarte staart met witte zijkanten. De woestijnleeuwerik is groter, grijzer en donkerder, heeft een langere, spitsere snavel, een egaal verenkleed en een staart met een donkere punt maar zonder wit aan de zijkanten. Kleine kortteenleeuwerik is slanker, langer gestaart en langer van poot, met een duidelijk gestreepte borst, een kleinere snavel en lang niet zo'n zware kop. Kortteenleeuwerik is groter, met een schone witte borst met een klein donker vlekje op de halszijde en veel langere schouderveren. De diksnavelleeuwerik loopt in de Negev op precies dezelfde stenige vlaktes en heeft ook een zware snavel, maar die is enorm, blauwgrijs en hoekig, en de vogel zelf is fors groter met een zwart-wit getekend gezicht en een brede witte vleugelachterrand. Temmincks strandleeuwerik heeft twee zwarte hoorntjes en een zwart-wit masker en is daarmee niet te verwarren. Twijfel je, wacht dan tot de vogel vliegt: de staart geeft het antwoord.
Leefgebied
Vlakke zand- en grindvlaktes met wijd verspreide lage struikjes en pollen, wadibeddingen met acacia's, en de overgang van zandvlakte naar kale hamada; ook de randen van zoutvlaktes en de lössvlaktes van de westelijke Negev. Hij heeft de combinatie nodig: veel open, kale grond om over te lopen én genoeg lage struikjes om zaad te leveren en het nestkuiltje in de schaduw te zetten. Een volstrekt kale vlakte is voor hem waardeloos, en dichte begroeiing net zo goed.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Een vogel van het Arabisch Schiereiland, die binnen het kaartgebied de Negev en de Arava in Israël bezet en verder het zuiden van Jordanië; in Zuidoost-Turkije is hij een paar keer opgedoken. Hij trekt niet maar zwerft sterk, achter de winterregens aan, zodat een vlakte het ene jaar vol zit en het volgende leeg is. Hier hoort een taxonomische kanttekening bij, want die bepaalt de kaart. De gids volgt AviList, en dat houdt sinds 2025 twee soorten in het geslacht aan: deze en Dunns leeuwerik, Eremalauda dunni. De meeste waarnemingsdatabanken en de oudere handboeken nemen ze nog samen onder die laatste naam, en daardoor staat Dunns leeuwerik in menige lijst gewoon als broedvogel van Israël. Dunns leeuwerik zelf is de vogel van de zuidrand van de Sahara — van Mauritanië door Mali en Tsjaad tot Midden-Soedan — en blijft daarmee ten zuiden van deze kaart; alleen bij Merzouga in Zuidoost-Marokko duikt hij af en toe op, het ene jaar wel en het volgende niet, en die onregelmatige gasten wegen niet zwaar genoeg voor een eigen plek in de gids.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De klassieke plek is de Uvdavallei ten noordwesten van Eilat; daarnaast leveren de vlaktes rond Yotvata in de Arava en de lössvlaktes bij Nizzana en Ezuz in de westelijke Negev hem op. Ga na een natte winter — in een droog jaar staat er niets — en werk het vlakke land met wijd verspreide struikjes langzaam af vanuit de auto, want lopen jaagt de vogels alleen maar op. Vaak zie je eerst een klein groepje opvliegen, en dan is die zwart-witte staart alles wat je nodig hebt. Op de grond kost het meer moeite: de vogel loopt kort, staat stil en is dan weg in de bodemkleur. Ga bij het eerste licht rustig bij een drinkplaats of een vochtige laagte zitten en wacht af — dat levert vaker wat op dan zoeken. En laat je niet verleiden door de eerste bleke leeuwerik: controleer altijd snavel en staart.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). Het areaal is een stuk kleiner dan dat van Dunns leeuwerik — het beslaat het Arabisch Schiereiland met een uitloper naar Zuid-Jordanië, de Arava en de Negev — maar het is nog altijd ruim, en de Rode Lijst beoordeelt de soort inmiddels onder haar eigen naam. De dichtheid is overal laag en de vogels verkassen met de regen, zodat niemand goed weet hoeveel er zijn: een vlakte kan drie jaar leeg zijn en in het vierde jaar vol zitten. De drukfactoren zijn dezelfde als voor de andere zaadetende woestijnvogels — overbegrazing die de lage struiklaag en daarmee de zaadvoorraad wegneemt, het uitputten van wadi's en het toenemende terreinverkeer. In Israël komt daar bij dat juist de vlakke, open woestijn de plek is waar zonneparken, wegen en militaire oefenterreinen terechtkomen, en dat is precies het terrein waar deze leeuwerik van moet leven. Op de schaal van heel Arabië wegen die drukfactoren voorlopig niet zwaar genoeg om de soort in de problemen te brengen.
Wetenschappelijke naam
Eremalauda eremodites (Meinertzhagen, 1923) (GBIF: Eremalauda dunni)
Meinertzhagen beschreef de soort in 1923 als Pyrrhulauda eremodites; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Eremalauda werd in 1926 ingevoerd door Sclater. Eremalauda verbindt het Griekse erēmos 'woestijn' met het Latijnse alauda 'leeuwerik'. eremodites is Grieks en begint eveneens met erēmos 'woestijn'; het tweede deel wordt verbonden met hodites 'reiziger'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sheikh Othman in Jemen.


