Alle soorten › Zangvogels › Heggenmussen › Bergheggenmus
Bergheggenmus | Prunella montanella
Siberian accentor | Acentor siberiano
In oktober 2016 gebeurde iets waar West-Europese vogelaars niet op gerekend hadden. Een vogel uit de Siberische taiga, waarvan in anderhalve eeuw amper dertig exemplaren in heel Europa waren gezien, dook binnen enkele weken op honderden plaatsen tegelijk op. De bergheggenmus is een kleine, verrassend kleurige heggenmus met een brede okergele wenkbrauwstreep boven een zwarte wang, en de vogels die hier terechtkomen laten zich meestal opvallend dichtbij komen.
Geluid
In Europa hoor je vrijwel alleen de roep: een hoog, dun en licht zilverig ti-ti-ti in drie snelle lettergrepen, dat aan een pieper doet denken maar korter en scherper is en vaak wordt gegeven op het moment dat de vogel opvliegt. Verontruste vogels laten daarnaast een fijn rollend trilletje horen. De zang, die hier niet te horen valt, is een kort, hoog en helder tsjirri-tsjirri-tsjirri, snel en wat schel, gezongen vanaf de top van een lariks of een wilg.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Iets kleiner en compacter dan de heggenmus, en veel warmer van kleur. De kop maakt de vogel: een zwartbruine kruin en een even donkere oorstreek, en daartussen een brede, lange wenkbrauwstreep in diep okergeel die van de snavelbasis tot ver achter het oog doorloopt en aan de achterzijde iets omhoog buigt. Keel, borst en flanken zijn okergeel tot roomoranje, op de flanken met vage kaneelbruine strepen; de rug is warmbruin met zwarte strepen en op de gevouwen vleugel staan twee smalle lichte streepjes. De snavel is dun, recht en spits, en donker; de poten zijn vleeskleurig tot roodbruin. Het oog is warm roodbruin met een smalle lichte oogring, wat de kop van dichtbij een zachte uitdrukking geeft. Geslachten zijn gelijk, al zijn vrouwtjes gemiddeld valer op de borst. De vogels die Europa halen zijn vrijwel allemaal eerstejaars: die hebben een iets minder scherp getekende kop en fijne donkere vlekjes op de borstzijden.
Verwarringssoorten
De heggenmus is grijs waar de bergheggenmus okergeel is, mist de zwarte wang volledig en heeft geen wenkbrauwstreep die het vermelden waard is. De alpenheggenmus is veel groter en forser, grijs op kop en borst, met een wit gespikkelde keel. De echte valkuil staat niet in deze gids: de zwartkeelheggenmus Prunella atrogularis, die uit de Oeral en Centraal-Azië komt en eveneens hoogst zelden Europa bereikt, heeft precies dezelfde koptekening maar een zwarte of donker gevlekte keel en koelere, minder oranje onderdelen. Buiten de familie is de bosgors de meest voorkomende misvatting: die komt in dezelfde weken uit dezelfde richting, is eveneens warm getekend, maar heeft een kegelsnavel, een klein kuifje, een gestreepte borst en witte buitenste staartveren. Bij elke bruinige vogel die laag onder een braamstruik wegschuift is de snavel de snelste toets: fijn en spits bij elke heggenmus, kort en kegelvormig bij elke mus en gors.
Leefgebied
Broedt in het struweel en het open bos van de Siberische taiga en bostoendra: wilgen- en berkenstruweel langs beken en veenranden, open lariks- en sparrenbos met een dichte ondergroei, en de laatste boomgroepen aan de bosgrens. Foerageert lopend over de vochtige bodem, tussen mos, kruiden en dwergstruiken. In het winterkwartier in struiken en heggen langs beekjes, in droge graslanden en in bosjes. De Europese dwaalgasten kiezen iets wat daar sterk op lijkt: brandnetelruigte en braam langs een dijk, opslag op een haventerrein, een groeve, een moestuin, een composthoop of de rand van duinstruweel — vrijwel altijd laag, dicht en met kale grond eronder.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Noord-Rusland van de Oeral oostwaarts tot de Grote Oceaan, met een zuidelijke uitloper door Siberië, en overwintert in Oost-China en Korea; de gewone trekweg staat dus vrijwel haaks op de richting naar Europa. Vóór 2015 waren er in heel Europa ongeveer dertig gevallen bekend. In oktober en begin november 2016 volgde een ongekende invasie: ten minste tweehonderddertig vogels in veertien landen, met eerste gevallen voor Nederland, Duitsland, Estland en Groot-Brittannië. Sindsdien komt er in goede najaren opnieuw een enkele vogel door, maar nooit meer in die aantallen. Het zwaartepunt ligt van begin oktober tot half november, met de meeste waarnemingen langs de kusten van de Noordzee en de Oostzee en op de eilanden.
Waar en wanneer kijken
Dit is een soort waar je op afreist. Houd van eind september tot half november de meldingen bij en reken erop dat een vogel die eenmaal een geschikt hoekje heeft gevonden er dagen tot weken blijft; de meeste zijn merkwaardig weinig schuw en scharrelen rustig door op enkele meters afstand. Wie zelf wil zoeken, werkt in de tweede helft van oktober, na een lange periode met oostenwind, de ruige randen van een Waddeneiland af: brandnetel, braam en duindoorn langs paden, moestuinen, achterafhoekjes bij dorpen en havenkades. Luister naar het dunne ti-ti-ti en kijk bij elke bruine vogel die laag wegschuift eerst naar de kop. Een brede okergele wenkbrauw boven een zwarte wang is van tien meter al doorslaggevend; pas daarna controleer je de okerkleurige borst en de fijne snavel.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. Het broedgebied is enorm en grotendeels onbewoond, de populatie wordt op miljoenen vogels geschat en er zijn geen aanwijzingen voor een afname. Voor het gebied van deze gids blijft de bergheggenmus een dwaalgast: er is geen enkel deel van de kaart waar de soort regelmatig verschijnt, en de gevallen die er zijn betreffen losse vogels. Voor de invasie van 2016 bestaat geen sluitende verklaring; een uitzonderlijk goed broedseizoen in combinatie met een aanhoudende oostelijke stroming is de gangbare lezing. Wat die weken vooral hebben laten zien, is hoezeer het aantal gevallen in Europa afhangt van het aantal mensen dat kijkt.
Wetenschappelijke naam
Prunella montanella (Pallas, 1776)
Pallas beschreef de soort in 1776 als Motacilla montanella; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prunella werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Prunella is een verkleinvorm van het Laatlatijnse brunus 'bruin', gevormd naar het Duitse Braunelle, de naam voor de heggenmussen. montanella is een verkleinvorm van het Latijnse montanus 'van de bergen': 'bergvogeltje'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Transbaikalië in Siberië.



