Alle soorten › Zangvogels › Mussen › Rotsmus
Rotsmus | Petronia petronia
Rock sparrow | Gorrión chillón
De rotsmus is de grote, zwaargebouwde mus van kale zuidelijke hellingen, kloofranden, kasteelmuren en bergdorpen. Hij oogt op afstand als een grove, gestreepte huismus, maar hij draagt een brede lichte streep over het midden van de kruin en laat bij het openen van de staart een rij witte punten zien — twee kenmerken die geen enkele andere mus heeft. Zijn nasale, klagende roep hoort bij het geluid van de Middellandse Zee zoals dat van de cicaden.
Geluid
De roep is het bekendste geluid van menige zuidelijke kloof: een luid, nasaal en klagend pjuu-ie of vuiii, opgaand en met een blèrende kwaliteit, dat over grote afstand draagt en vaak uit een onzichtbare rotswand komt. De Spaanse naam gorrión chillón, schreeuwmus, is daaraan ontleend. Daarnaast een kort, hard tsjip en, bij alarm, een snelle rollende reeks. De zang is een trage herhaling van die nasale roep, vanaf een rotspunt, een dakpan of een telefoondraad, van maart tot in juni.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Groot en gedrongen, met een opvallend zware, bleke kegelsnavel en een korte staart. De koptekening is het eerste dat opvalt: een brede vuilwitte streep midden over de kruin, aan weerszijden begrensd door een donkerbruine band, en daaronder een brede lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De bovendelen zijn zandbruin met zware donkere strepen, de onderdelen vuilwit met fijne streepjes op flank en borst. Midden op de keel zit een klein citroengeel vlekje dat vaak schuilgaat achter de kin en dus geen betrouwbaar kenmerk is. Het kenmerk waar het bij een vluchtende vogel op aankomt is de staart: aan het uiteinde van elke staartveer staat een witte vlek, die bij het spreiden een rij lichte stippen vormt. Beide geslachten zijn gelijk; jonge vogels zijn wat doffer en warmer beige, met dezelfde kruin- en staarttekening.
Verwarringssoorten
Op afstand en in tegenlicht is dit een huismus. Het verschil zit in vier dingen: de rotsmus is groter en zwaarder, met een merkbaar dikkere snavel; hij is over de hele onderzijde fijn gestreept in plaats van egaal; hij heeft een brede lichte kruinstreep tussen twee donkere banden, terwijl de huismus daar een gladde grijze of bruine pet draagt; en hij toont witte staartpuntvlekken, die de huismus mist. Ook de Spaanse mus komt in hetzelfde land voor, maar het mannetje daarvan heeft een kastanjebruine kruin met een groot zwart bef- en flankpatroon en het vrouwtje is vager gestreept en heeft geen kruinstreep. Vrouwtjes van vinkachtigen als de Europese kanarie zijn veel kleiner en groener. Wie in het gebergte een grote, bleke, gestreepte mus opjaagt en witte stippen in de staart ziet oplichten, hoeft niet verder te twijfelen.
Leefgebied
Open, warm en steenachtig terrein met verticale nestgelegenheid: rotswanden en rotsplateaus, ravijnen, puinhellingen, oude stadsmuren, kastelen, kerktorens, bruggen en verlaten bergdorpen, met daaromheen droge schrale graslanden, garrigue, terrassen, amandel- en olijfgaarden waar hij op de grond zaad en insecten zoekt. Het nest is een rommelige bal van halmen en veren, diep in een rotsspleet of een muurgat. Van zeeniveau tot ver in het hooggebergte; in Azië tot boven de vierduizend meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van vrijwel het hele zuiden van het kaartgebied: Madeira en de Canarische Eilanden, Iberië, Zuid-Frankrijk, Italië, de Balkan, Griekenland, Turkije en de hele Maghreb, en verder oostwaarts door Azië tot in Mongolië en China. In Midden-Europa is hij in de twintigste eeuw verdwenen; ten noorden van de Alpen is hij nu een zeldzaamheid. In Spanje is hij wijdverbreid in het binnenland en in alle bergketens, van de Pyreneeën tot de Sierra Nevada, en ontbreekt hij vooral langs de vochtige noordkust. Hij trekt niet, maar zakt in de winter uit de hoogste zones af en zwerft dan in groepen over stoppels en steppe.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem bij een oud bergdorp of een verlaten stenen schuur op een zuidhelling, tussen negen en elf uur in mei. Ga bij de muur staan en wacht op het nasale pjuu-ie; de vogels zitten meestal boven op de nok of vliegen uit een muurgat. Neem de tijd om er één op de grond te krijgen, want alleen daar ziet u de kruinstreep goed. Vliegt hij op, kijk dan alleen naar de staart: het rijtje witte punten is het bewijs. In de winter loont het om op een kaal stoppelveld hoog in het binnenland groepen mussen na te lopen — daar zit hij tussen de huismussen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en over zijn enorme areaal nog talrijk. In Midden-Europa is hij als broedvogel verdwenen en in delen van Zuid-Europa neemt hij plaatselijk af: het gaat om het verdwijnen van extensief beweide schrale graslanden, om het restaureren en dichtvoegen van oude muren, kerktorens en bruggen waardoor nestholtes wegvallen, en om het opgeven en herbouwen van bergdorpen. Waar oude gebouwen met open voegen en beweide steppe naast elkaar liggen, blijft hij gewoon.
Wetenschappelijke naam
Petronia petronia (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Fringilla petronia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Petronia werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Petronia gaat terug op een plaatselijke naam voor de rotsmus uit de streek van Bologna. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Italië.




